Tot zijn verbijstering merkte Bahcecioglu dat het toestel kort voor de landing ineens begon te slingeren. „De piloot probeerde het toestel omhoog te trekken. Toen knalde het vliegtuig neer. Alles gebeurde in een flits. Een seconde of zeven. Ik had deze crash totaal niet zien aankomen. Ik had de hele vlucht vanaf Istanbul geslapen. Toen het vliegtuig een slinger maakte, keken we ellkaar aan. Zo van: Hé vriend, dit is onze laatste blik.”
De momenten na de crash waren angstaanjagend. „Eerst was het een paar seconden stil. Daarna overheersten twee dingen. Angst en chaos. Mensen schreeuwden en huilden. Je kunt wel een man van in de twintig zijn, maar op zo’n moment ben je bang. Zelf heb ik mijn vader verloren toen ik 1 jaar was. Ik heb altijd gebeden dat mijn kinderen niet zullen opgroeien zonder vader.”
Toen de twee Turkse neven het toestel via de nooduitgang konden verlaten, lichtten ze eerst het thuisfront in. „Ik heb mijn vrouw en mijn moeder gebeld. We vertelden dat ze niet hoefden te schrikken en dat we nog leefden.”
Daarna hielpen Bahcecioglu en Atman, beiden werkzaam op het gebied van spoorveiligheid, zo’n „vijftien” passagiers uit het toestel. „We hebben vrouwen en kinderen geholpen. Bij de een was het gezicht helemaal blauw. De ander had z’n lip open. Een nogal zware vrouw sprong van een vleugel naar me toe. „Spring maar”, riep ik, „ik vang je wel op.” De mensen die we hielpen zeiden: „Dank je wel.”
Aangrijpend vindt de Turkse jongeman dat mensen voorin het toestel „bekneld” zaten. „Ze bonkten tegen de ramen en riepen om hulp. Op zo’n moment, als je die beknelde mensen niet kunt helpen, voel je jezelf een sukkeltje.”
Buiten maande Bahcecioglu de passagiers om van het vliegtuig weg te vluchten. „Ik heb geroepen: Probeer weg te komen. Al is het kruipend. Wegwezen!”