„Meer evenwicht in debat over leren”
Het nieuwe leren is geen onzin; het gaat er ons om dat het onderwijs vormgegeven wordt door mensen die verstand hebben van lesgeven en van hun vak”, zei Verbrugge. „Wij zijn niet tegen vernieuwing, maar wel tegen de erosie van de vakkennis waarover ik honderden verhalen gehoord heb. Leraren zijn door een combinatie van organisatiemodellen, economische prikkels en ideologisch gestempelde didactieken opgezadeld met een manier van onderwijsgeven waarvan ze beseffen dat die niet goed is.”
BON wijst volgens Verbrugge het combineren van vakken niet af. „Het moet er echter niet toe leiden dat allerlei lessen gegeven worden door mensen die van een vakgebied nauwelijks verstand hebben. Je laat een visser toch ook geen voetballers trainen? Dat is minachting van de student én van het vak.”
BON is volgens haar voorzitter ook niet tegen competentiegericht onderwijs: „Prima dat zowel aan kennis als aan vaardigheden als aan een sociale attitude aandacht besteed wordt, maar wel binnen het kader van beheersing van een vak.”
Daaraan schort het volgens de hoofddocent. „Er is sprake van een algehele daling van de kwaliteit. Universiteiten en hogescholen klagen over het niveau van de studenten die uit het voortgezet onderwijs komen. Als ik het over de verlichting heb, denken sommigen dat het over een lampenzaak gaat. Andersom zijn de middelbare scholen ontevreden over de leraren die het hoger onderwijs aflevert: door het competentiegericht leren beschikken ze over onvoldoende vakkennis.”
De kritiek dat de nieuwe samenleving om nieuwe vaardigheden vraagt, wijst Verbrugge af. „Management- en andere theorieën veranderen, maar de klassieke vaardigheden doen dat niet.” Veel kennis veroudert volgens hem ook niet, weersprak hij een andere stelling.
Coreferent prof. dr. F. van Oostrom, president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW), noemde Verbrugges geluid „helder en heilzaam.” Beter Onderwijs Nederland begon als een actiegroep; ze blijft gelukkig niet hangen in het uiten van beschuldigingen, maar probeert ook een kentering teweeg te brengen, constateerde Van Oostrom met waardering. „Zelf hoop ik weer meer les te gaan geven, en dan ga ik het anders doen dan vroeger. Met name de zesjescultuur -eigenlijk de 5,5-cultuur- heb ik te vaak laten lopen. Tegen die labbekakkerigheid wil ik meer tegenwicht bieden.”
Van Oostrom hekelde het geringe aantal contacturen tussen docenten en studenten in het hoger onderwijs. „Soms nog geen zestien per week.” Hij pleitte voor het bijbrengen van flexibiliteit. „De universiteiten zijn vrij goed in scholing, maar de vorming van studenten moet beter.”
Bastiaan Verweij, voorzitter van studentenbond ISO, onderschreef Verbrugges stelling dat het competentiegericht onderwijs niet verkeerd is, maar wel de wijze waarop het op dit moment wordt vormgegeven. „Veel docenten zijn er niet klaar voor. Ze moeten leerlingen coachen, maar kunnen dat niet.”
PvdA-Kamerlid Besselink zei het te waarderen dat in de discussie over oud en nieuw leren meer evenwicht lijkt te ontstaan. „Niemand zegt meer: Er is niets aan de hand. En ook niemand meer: Alles moet anders. Ik constateer dat er naar een balans gezocht wordt. Dat is een goede zaak.”
Drs. Y. Visser, pabodirecteur aan de Arnhemse hogeschool, zei dat de kennis van studenten nog wel degelijk getoetst wordt, maar dat er meer aandacht gekomen is voor de toepassing. Visser plaatste een kanttekening bij de roep om diepgang. „Als wij studenten te veel laten specialiseren, roept het werkveld dat men breed opgeleide mensen wil. Daardoor moeten we in vier jaar tijd zo veel, dat het vormgeven van de pabo-opleiding bijna onmogelijk is.”