Het LFTO heeft bij zijn werkzaamheden op rampplekken twee hoofdtaken: de forensische opsporing (gericht op eventueel daderschap en het vaststellen van de aard en de oorzaak van het incident) en de berging en identificatie van slachtoffers. Als er louter sprake is van berging en identificatie gaan alleen de rampenidentificatiespecialisten aan de slag.
Deze experts leggen zich allereerst toe op de berging van slachtoffers. Zij stellen sporen veilig, alsmede zogeheten persoonsgebonden voorwerpen, zoals kleding en sieraden. Daarop volgt het zogenoemde post mortem–onderzoek: alle persoonskenmerken van de gevonden stoffelijke overschotten worden in kaart gebracht, onder meer aan de hand van DNA– en tandkundig onderzoek.
Zodra de vermistenlijst bekend is, start het ante mortem–onderzoek: gegevens van vermisten die mogelijk zijn omgekomen bij de ramp worden verzameld. Rechercheurs interviewen familieleden van vermiste personen, verzamelen foto’s, medische en tandkundige dossiers en nemen waar nodig DNA van familieleden af. Tot slot worden alle onderzoeksgegevens met elkaar vergeleken in een speciaal computerprogramma. Deze vergelijking moet leiden tot de identificatie van een slachtoffer.
Het Korps landelijke politiediensten beheert het LTFO.