Via e-mail hebben de twee al een tijd contact. Eerst over de collegestof die Pim doceert, later over de interesses die beiden delen. Tussen docent en studente ontstaat een levendige uitwisseling van recepten, gedichten en muziek.
De manier waarop Pim de mails besluit, laat aan duidelijkheid weinig te wensen over. De ene keer is het: „Je enige mailvriendje”, een keer erop: „Liefs, knuffels en een dikke kus.” Pim is getrouwd, maar ondanks dat kan de vrijgezelle psychologe bij hem wel een potje breken. Tot 28 maart 2002; dan is om onduidelijke redenen het uitwisselen van recepten en gedichten wat hem betreft voorbij.
Margaretha doet een vergeefse poging hem op andere gedachten te brengen. Ze maakt Pim duidelijk dat ze zijn ‘afscheidsmail’ als „het verraad aan een goede vriendschap” ziet. Beetje bij beetje wordt duidelijk wat Pim heeft aangewakkerd met zijn abrupte manier van afscheid nemen: een obsessie. De vrouw die hij eerst als „enige mailvriendje” het hoofd op hol bracht, gaat hem belagen en volgt hem van dag tot dag.
Ze is er als hij zijn laptop opstart en zijn mailbox opent, want die puilt uit van de berichten en e-cards die ze hem stuurt. Ze is er als hij thuis is en het geluid hoort van de brievenbus, want de stapel kaarten die de postbode daar doorheen wurmt, is van haar. Ze is er als hij jarig is, want het feestontbijt dat op die dag bij zijn huis in Rotterdam wordt bezorgd is van haar afkomstig. Ze is er als de medewerker van de pakketdienst aanbelt, want bij de zorgvuldig verpakte schets van kunstenaar Lucebert die deze hem overhandigt, zit een kaartje waarop staat: Afzender: M.
De secretaresse van Pim legt in zijn agenda een afspraak vast, met –zo denkt ze– een toekomstige studente. Die studente is Margaretha van G. De vertrouwenspersoon van de universiteit waar Pim werkt, wordt benaderd door een vrouw die vraagt of ze via hem in contact met de docent kan komen. Die vrouw is Margaretha van G.
Als officier van justitie mr. W. ten Have de lange lijst toenaderingspogingen heeft opgesomd, constateert hij dat Van G. wederrechterlijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maakte „op eens anders persoonlijke levenssfeer met het oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel vrees aan te jagen.” Zijn conclusie: Van G. moet worden gestraft.
Buiten het sturen van mailtjes, e-cards en het regelen van een feestontbijt om zag Van G. ook nog kans een op slechts enkele meters afstand van Pims huis gelegen woning te kopen. Maar de veronderstelde opzet valt, aldus Ten Have niet te bewijzen. Volgens Van G. was het „puur toeval”; een bewering die zou kunnen kloppen, want zodra de vrouw gewaar werd in wiens achtertuin ze was beland, deed ze haar pasverworven optrekje met een verlies van 50 mille weer van de hand.
Voor de rest, zo oordelen ook de rechters, heeft de psychologe de grenzen van de wet flink overschreden en „door de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van haar gedragingen” een inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van docent Pim.
Maar er is meer. Het strafblad van Van G. is nog schoon en in de drie jaar tussen Pims aangifte en de terechtzetting heeft ze zich van elk contact onthouden. En, zo vervolgen de rechters: in de e-mailcontacten vóór de stalking gaf Pim H. haar dusdanige persoonlijke aandacht „dat de rechtbank zich enigszins kan inleven in de ontreddering van de verdachte toen het slachtoffer dit contact verbrak.”
Is deze zinsnede de magistratelijke variant op het spreekwoordelijke ”Boontje komt om z’n loontje?”
De uitspraak is in elk geval relatief mild: Van G. is schuldig, maar krijgt vanwege de verzachtende omstandigheden geen straf.