Politierechter mr. J. I. Buchner is allerminst onder de indruk. „Dat heeft te maken met uw totaal ongeremde gedrag.”
Een halfuur eerder voor die scène wordt de timmerman aangevoerd. Sikje, afgezakte spijkerbroek, argwanende blik. De verdachte komt van de Forensische Observatie- en Begeleidings Afdeling (FOBA) van de Bijlmerbajes in Amsterdam. Dat is een kliniek voor gedetineerden met zeer ernstige psychiatrische problemen. In de rechtszaal houden drie agenten K. M. in de peiling.
Op 11 maart 2009 grijpt de Rotterdamse politie de timmerman in de kladden. De man jaagt buren de stuipen op het lijf. Hij maakt herrie met een synthesizer, gooit spullen naar beneden en „balanceert” op zijn balkon, aldus justitie. Boven alles is de verwarde man stomdronken. Hij loopt zelfs een delirium op (acute verwardheid) in M.’s geval als gevolg van zijn alcoholmisbruik. Op het politiebureau scheldt M. een arrestantenbewaarder de huid vol. In de dagen daarna wordt de lastpost een paar keer vrijgelaten en weer vastgezet.
Op 13 maart escaleert de zaak, als de man vastzit in een cel onder de Rotterdamse rechtbank, in afwachting van zijn voorgeleiding aan de rechter-commissaris.
Als een medewerker van de dienst Orde, Bewaking en Transport M.’s isoleercel opent, treft hij een „spiernaakte” agressieveling. „Hij werd woester en woester”, vertelt de agent als getuige bij de rechter. M. beukt in op de politieman. De agent verweert zich met pepperspray. Een viertal collega’s overmeestert uiteindelijk de doorgedraaide timmerman.
Bij de rechter beklaagt M. zich over het politieoptreden. „Een halfuur nadat ik was gepepperd, heb ik nog geen water gehad.” De agent spreekt tegen dat M. geen water kreeg.
Heeft de politieman de timmerman gewaarschuwd voordat hij pepperspray spoot, wil M.’s advocate mr. M. L. Groeneveld weten. Daar was geen tijd voor, reageert de politieman. „Zijn ogen stonden vol woede. Er was geen gesprek mogelijk.”
Zelf schuift M. de schuld van zich af. Hij zat op 11 maart „rustig” op het balkon. De boel naar beneden smijten? „Dat doe ik als timmerman ook.” Stelt de rechter dat de agent „een ongelooflijk aantal tikken” kreeg, M. vindt dat de diender „alleen schrammetjes” opliep.
M. heeft er de smoor in dat hij telkens werd opgepakt. „Ik wil gewoon naar huis. Ik ga isoleercel in en isoleercel uit.” Hij overhandigt de rechter een handgeschreven „opstel” over zijn beroerde tijd in de kale cel.
Officier van justitie mr. E. C. Nieuwenhuis eist vier maanden cel, waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. M. moet verplicht contact houden met de reclassering. Hij is verminderd toerekeningsvatbaar. Probleem is onder meer asociaal gedrag, voortkomend uit onder meer ernstig alcoholmisbruik.
Advocate Groeneveld vindt dat de politie M. aan zijn lot overliet. Onduidelijk is of de verwarde man in zijn cel bezoek kreeg van iemand van de ggz. De politie had ervoor moeten zorgen dat de timmerman werd geholpen. „Als je even googelt, vind je een handleiding voor dit soort situaties. Laat een verward persoon niet alleen, toon begrip voor zijn angst en maak hem duidelijk dat hij ziek is. Maar wat gebeurde er met meneer? Niks. Hij zat maar in zijn isoleercel.”
De rechter maakt korte metten met het verhaal van de advocaat. „Laten we een beetje nuchter blijven. Een politiebureau is geen kliniek. Daar marcheert niet binnen tien minuten een legertje psychologen en psychiaters binnen.” M. krijgt zeventien weken cel, waarvan zeven weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Ook moet hij zich onder behandeling stellen bij een ggz-instelling.
Zijn opstel, waarin hij zijn gal spuwt over de isoleercel, maakt op de rechter weinig indruk. „Dat een isoleercel geen pretje is, neem ik zonder meer aan, maar ik mis in uw verhaal enige reflectie op uw eigen gedrag.”