Een arts-assistente cardiologie, de eerste arts die de vrouw ziet, stuurt haar door naar de röntgenafdeling voor een longfoto. Ook vraagt zij een bloedonderzoek aan bij het laboratorium. De cardioloog brengt de patiënte een kort bezoek. De longarts bestudeert de foto. De vrouw krijgt beademing en om 12.00 uur draagt de arts-assistente haar over aan een collega, net als zij een beginnend arts.
De laatste specialist die na de cardioloog en de longarts in beeld komt, is de internist. Hem vraagt de (tweede) arts-assistent ter voorbereiding op een patiëntbespreking de uitkomsten van het bloedonderzoek te bekijken. Hij zegt erbij: „Van de cardioloog en de longarts mag mevrouw naar huis.”
De internist constateert een sterk verhoogde bloedsuikerwaarde, maar leidt uit de woorden van de arts-assistent af dat de patiënte formeel al is ontslagen. Daarop beperkt hij zich tot een voorlopige diagnose: kans op diabetes en waarschijnlijk een infectie. Hij schrijft medicatie voor en geeft door de telefoon nog wat instructies aan de huisarts van mevrouw.
Beneden wachten de dochter en de neef. Ze verkeren in de veronderstelling dat hun moeder en tante minstens een aantal dagen op de intensive care zal belanden. In plaats daarvan krijgen ze tot hun opperste verbazing te horen: ze mag weer naar huis. De gemoederen lopen hoog op, maar de arts-assistent houdt voet bij stuk. Het ontslagbericht is getekend, dochter en neef staan voor een voldongen feit.
Vier dagen later overlijdt mevrouw R., kort nadat ze in allerijl opnieuw in het ziekenhuis is opgenomen. Daar kunnen de artsen niets meer voor haar doen.
Door wiens toedoen werd mevrouw ontslagen, terwijl de artsen haar in het ziekenhuis hadden moeten houden? In de tuchtzaak die dochter en neef beginnen, richten ze hun pijlen eerst op de internist, die ze als de grote boosdoener zien.
Onterecht, meent het Regionaal Tuchtcollege Amsterdam, dat de klacht afwijst. Volgens deze tuchtraad lag de verantwoordelijkheid voor het ontslag niet bij de internist, maar bij de afdeling cardiologie. Daar werd de patiënte opgenomen en daar werkte ook de arts-assistente die de internist vroeg de uitkomsten van het bloedonderzoek te bekijken. Het medicatieadvies dat de internist vervolgens gaf, maakte hem aldus het tuchtcollege nog niet tot hoofdbehandelaar.
De dochter en de neef leggen zich niet bij de beslissing neer en beginnen direct een zaak tegen de cardioloog, de longarts en de twee arts-assistenten. Tegen de uitspraak over de internist gaan ze in hoger beroep. Bij het Centraal Tuchtcollege krijgt de internist het aanmerkelijk zwaarder te verduren. „Wanneer adviseert u op afstand en wanneer besluit u dat u de patiënt eerst zelf wil zien?” wil een van de leden weten. „Ging er bij u geen lampje branden toen u hoorde dat mevrouw was ontslagen? Dacht u na het zien van de bloeduitslagen niet: Dat kan niet de bedoeling zijn?”
Terwijl de zaak van zijn vier collega’s nog moet beginnen, velt het Centraal Tuchtcollege het vonnis over de internist. Hij moet alsnog, als eerste, boeten voor de dood van mevrouw R. De internist krijgt een waarschuwing, „een zakelijke terechtwijzing, die de onjuistheid van zijn handelwijze naar voren brengt, zonder daarop een stempel van laakbaarheid te drukken”, verduidelijkt het college. De straf is relatief mild, maar de boodschap is duidelijk. Het ontslag van mevrouw R. was niet zijn besluit, maar gezien zijn ervaring en verantwoordelijkheid tegenover de jonge arts-assistent had hij alerter moeten zijn.