Op een bankje in de binnenplaats van het ziekenhuis zit specialist Van der G. Tegenover hem twee vrijgezelle broers die eerder die dag hun moeder bij wie ze inwoonden met spoed naar het ziekenhuis moesten brengen. De vrouw, 81, werd opgenomen met een luchtweginfectie, ernstige ademhalingsproblemen en een dubbelzijdige longontsteking. Verder hoestte ze wit slijm op, was ze nauwelijks aanspreekbaar, uitgemergeld en eenzijdig verlamd.
Van der G. bereidt de zoons op het ergste voor.
De specialist geeft uitleg over het behandelbeleid. Soms kiezen de artsen van het ziekenhuis ervoor „tot het uiterste te gaan”, inclusief operaties, transplantaties en andere forse ingrepen. Dat heet code A, legt hij uit. Ook kunnen artsen ervoor kiezen een patiënt „maximaal conservatief te behandelen.” Complexe spoedoperaties laat het ziekenhuis dan vanwege de risico’s of de conditie van de patiënt achterwege, maar waar mogelijk worden diens klachten nog wel zo veel mogelijk behandeld, tot uiteindelijk niets meer rest dan een zorgvuldige stervensbegeleiding en dat heet dan code B.
Verpleegkundigen geven de vrouw zuurstof door middel van een kapje. Ook leggen ze een infuus aan en dienen ze antibiotica toe. Dan herhaalt Van der G.: „Jullie moeten met het ergste rekening houden.” En hij legt de zonen uit dat het ziekenhuis, mocht de situatie van mevrouw inderdaad verslechteren, zal kiezen voor code B.
Wat Van der G. vreest, gebeurt. De vrouw wordt in toenemende mate benauwd, krijgt morfine tegen de onrust en glijdt langzaam weg. Midden in diezelfde nacht roept het ziekenhuis de broers op.
Bij het bed van hun moeder staat anesthesist Van I. In het dossier leest hij dat zijn collega de broers eerder die dag langdurig heeft gesproken en hen uitleg heeft gegeven over het code B-beleid. Hij laat de broers bij hun moeder en haast zich naar een volgende patiënt.
Op dat moment slaat bij de broers de twijfel toe. Charles, de oudste van de twee, maakt de arts duidelijk dat ze geen boodschap hebben aan het gesprek van die middag. „We eisen dat u vanaf nu alles probeert.”
De anesthesist belt zijn collega Van der G. én raadpleegt twee externe specialisten. Hun oordeel is eensluidend: code B. De patiënte haalt de volgende ochtend, waarna een nieuwe arts probeert de broers opnieuw uit te leggen dat haar toestand te slecht is om haar nog intensief te behandelen. Tweeënhalve dag later overlijdt de vrouw.
In de tuchtzaak die volgt, staat de vraag centraal of anesthesist Van I. in die eerste nacht terecht besloot de vrouw niet meer intensief te behandelen. Ja, zegt het regionaal tuchtcollege in Amsterdam. Niet alleen handelde hij zorgvuldig door drie collega’s te raadplegen; een hulpverlener is bovendien niet gehouden over te gaan tot een medisch zinloze behandeling, „ook niet indien de patiënt of de familie erop aandringt dat wél te doen.” Troostend vervolgt de tuchtraad dat hij oog heeft voor de manier waarop de broers de gebeurtenissen hebben beleefd, „juist gelet op hun betrokkenheid en bezorgdheid voor hun moeder en op het feit dat zij haar jarenlang liefdevol hebben verzorgd.”
Op de zitting betuigen de aangeklaagde Van I. en Van der G., door Van I. opgeroepen als getuige, spijt. „Als we dit hadden voorzien, hadden we het nog beter uitgelegd.”
Ook het centraal tuchtcollege, voor de broers de laatste strohalm, wijst de klacht af, met dezelfde redenering. Maar een troostend zinnetje krijgt de centrale tuchtraad, anders dan de Amsterdamse, niet uit de pen.