Binnenkort is zijn cliënte dakloos en belandt ze vanuit haar huis in het Westplantsoen in Delft op straat, omdat eigenaar en verhuurder Joho Beheer BV en de rechtbank dat hebben besloten. Ziedaar waar Koot met zijn omschrijving op doelt.
Begin 2007 constateert Joho dat de vrouw -voornaam: Janna- in haar woning onderdak biedt aan nog eens twee personen; een Irakese dame en een jongeman. Onderverhuur is in strijd met de huurovereenkomst, die het beschikbaar stellen van de woning aan anderen dan gezinsleden verbiedt. Daarvoor werd door toedoen van de vrouw tot twee keer toe schade toegebracht aan de voordeur van de woning, stelt Joho. Het hekje in de voortuin dumpte ze zonder toestemming bij het grofvuil.
Daar komt bij dat tal van buren zich bij Joho beklagen over de geluidsoverlast die de vrouw veroorzaakt. Voeg daar nog bij dat een al door de rechter goedgekeurde opzegging van het huurcontract wegens betalingsachterstand in 2001 op de valreep niet doorging omdat Joho met de hand over het hart streek en het is duidelijk: bij Joho heeft Janna het definitief verbruid.
Volgens Koot valt zijn cliënte echter weinig te verwijten. De twee huurders zijn gezinsleden; de Irakese dame is namelijk Janna’s partner die met haar zoon in het Delftse Westplantsoen verblijft. Schade aan de voordeur? Zeker, maar alleen omdat de politie bij 1-1-2-meldingen het slot moest forceren; een kwestie die al met de slotenmaker is geregeld. Een hek verwijderd? Jawel, maar het was compleet doorgeroest en Joho kwam haar toezegging om het op te ruimen niet na.
De aantijging van geluidsoverlast noemt Koot sterk overtrokken. „Houd het er maar op dat mevrouw wat luidruchtig communiceert via de intercom en de huizen nogal gehorig zijn.”
Twee maanden voor het kort geding keurde de vorige rechter de aangekondigde ontruiming van de woning door Joho goed. Koot: „Dat komt doordat Janna’s toenmalige advocaat zwaar in gebreke is gebleven. Hij trok zich op de valreep terug, zonder voor vervanging te zorgen, zodat de rechter maar één kant van de zaak, namelijk die van Joho, heeft gehoord.”
In de hogerberoepsprocedure die Janna heeft ingesteld gaat het vonnis volgens Koot vrijwel zeker van tafel. Met het kort geding wil hij bereiken dat Joho de ontruiming opschort, totdat de hogere rechter heeft beslist.
Koot heeft geluk en hij is slim. Eerst constateert hij gelaten dat zijn cliënte vanwege haar fysieke gesteldheid niet op de zitting is verschenen. Dan klaart zijn gezicht op: de Irakese dame die bij haar inwoont is er wel, met haar IND-pas op zak. Met wilde handgebaren dirigeert Koot de vrouw naar voren en instrueert haar het pasje aan kortgedingrechter en vicepresident van de Haagse rechtbank R. J. Paris te tonen. Een spontane ingeving, verklaart hij achteraf, en een gouden: Op de achterzijde van de pas verklaart de IND dat de vrouw bij haar partner Janna in het Westplantsoen verblijft. Als de vrouw vervolgens zonder haperen geboorteplaats en -datum kan noemen van de jongeman die haar zoon zou zijn, acht Paris zich voldoende voorgelicht. Hij hamert af.
Twee weken later blijkt het pasje doorslaggevend. Door het te laten zien heeft Janna het verwijt dat ze het verhaal van het partnerschap heeft verzonnen volgens Paris voldoende weerlegd. De rechter schort de uitvoering van het vonnis op. Het leunt inderdaad te sterk op de lezing van Joho. Het hekje moet Janna in de oorspronkelijke staat laten terugplaatsen. Maar haar verblijf en dat van haar partner met haar zoon in het Westplantsoen is voorlopig gered.