Opleiding: medische informatiekunde aan de Universiteit van Amsterdam; in 2007 gepromoveerd.
Huidige werkkring: postdoctoraal onderzoeker op de afdeling klinische epidemiologie van het Leids Universitair Medisch Centrum; onderzoekt risicofactoren voor patiënten met terminaal nierfalen.
Op welke wijze kunt u als christen inbreng hebben in uw werk?
„Vaak zit het ’m in kleine dingen. Zo doen we binnen onze groep veel onderzoek naar risicofactoren voor overlijden. Ik merk dat er snel onmenselijk over de dood wordt gepraat. Soms hebben collega’s het zelfs over ”dooien” en ”doodgaan”. Dat vind ik echt heel naar. Ik probeer consequent het woord ”overlijden” te gebruiken.”
Welke principiële hobbels komt u tegen in uw werk en uw vakgebied?
„Ik onderzoek nu vooral genetische risicofactoren voor mensen met nierfalen. Dat thema ligt doorgaans gevoelig: kun je mensen straks niet uitselecteren op hun genen, zodat ze allerlei ziekten niet krijgen? Maar ik denk niet dat dit voor mijn onderzoeksgebied aan de orde is. Daarvoor zijn er veel te veel genen bij nierfalen betrokken.
Iets anders is dat ik gebruik maak van een methode die gebaseerd is op één van de wetten van Mendel. Die wetten gaan over overerving van genen en worden ook door evolutionisten gebruikt. Daarom twijfelde ik: in hoeverre zijn de theorieën onder mijn werk betwistbaar? Daarover heb ik advies gevraagd aan dr. Richard Buggs, een Britse geneticus die ook columns schrijft voor de Engelstalige pagina van het Reformatorisch Dagblad. Hij kon mijn twijfels wegnemen. De wetten van Mendel kun je prima los zien van de evolutietheorie.”
Is er ruimte voor discussie en begrip voor afwijkende standpunten?
„In een-op-eengesprekken is die ruimte er vaak wel, maar bijvoorbeeld mijn eigen hoogleraar kan fijntjes laten weten hoe achterlijk hij het vindt als je nog in de schepping gelooft. Hij is echter niet een persoon met wie ik in discussie zou gaan over dit onderwerp. Verder is er het punt van zondagswerk: congressen en meetings worden nogal eens op zondag gehouden. Daar doe ik niet aan mee. Sommige bijeenkomsten worden nu speciaal voor mij niet op zondag gepland; dat is fijn. Dus er is beslist ruimte om jezelf te zijn, als je maar duidelijk bent.”
Bent u op uw standpunten bevraagd bij uw benoeming?
„Bij mijn eerste sollicitatie voor een postdoc-functie –de eerste baan na mijn promotie– ben ik enorm doorgezaagd over mijn vasthouden aan de zondag als rustdag, met vragen als: Stel je voor dat je werk meer klinisch zou zijn, meer direct op het ziekbed gericht? Maar dat ís gewoon niet zo. Uiteindelijk is die baan op dit punt afgeketst. Bij mijn huidige baan, bij dezelfde organisatie, is de zondag geen item meer geweest. Toen was mijn opvatting wel voldoende duidelijk.”
Welk contact hebt u op uw werk met medechristenen?
„Op mijn afdeling zitten best wat christenen, onder wie nog een jonge vrouw die niet op zondag wil werken. Dan kun je elkaar tot steun zijn. Zo hadden we onlangs een cursus op Schiermonnikoog die al op zondagmiddag begon. Toen zijn we samen op zaterdag al naar het noorden gereisd. Via de christelijke gereformeerde kerk in Damwoude kregen we een adresje voor de zondag. En op maandag hebben we de eerste boot naar Schiermonnikoog genomen. Eigenlijk is het best leuk om zo naar creatieve oplossingen te zoeken.”
Welke handreiking zou u christelijke studenten voor hun studie willen doen?
„Wees helder en open over je principes. Wees ook consequent. Zet tegelijk je beste beentje voor om binnen je eigen grenzen te zoeken naar oplossingen bij een principieel probleem. Mijn ervaring is dat je dan iets kunt bereiken, zoals het verzetten van een cursus die op zondag gehouden zou worden. En lukt het niet? Wees nuchter en vertrouwend. Bij mijn eerste sollicitatie ging er een deur dicht, maar er ging er ook één open.”
Dit is de vijfde aflevering in een serie waarin jonge christelijke academici vertellen over hun werkkring. In het Brabantse Biezenmortel werd deze week een internationaal congres gehouden over de voorbereiding van christenwetenschappers op hun plaats in de maatschappij.