Die klachten behoren tot een bijzondere categorie. Het tuchtcollege acht ze zwaarwegend genoeg om ze in een openbare zitting te behandelen en verklaart ze niet meteen niet-ontvankelijk. Maar nadat de zaak van alle kanten is bekeken, is daar dan toch het vlijmscherpe oordeel: kennelijk ongegrond. Daar moet de klager het mee doen.
Een zo’n klager is de Brabantse advocaat Jeffrey K. Hij vertegenwoordigt zijn vader, die in eerste instantie een klacht aanhangig maakte, maar op de dag waarop het centraal tuchtcollege zich erover buigt al geruime tijd terug is overleden. Zijn vader leed aan een onbekende longaandoening die hem voor grote delen van de dag zuurstofafhankelijk maakte. Daarbij was de man psychisch labiel.
De veronderstelde boosdoener, de arts tegen wie de klacht zich richt, is een forensisch GGD-arts. Buiten de zaal waarin het tuchtcollege zich over de klacht gaat buigen, zitten ze naast elkaar: de arts, vergezeld van zijn raadsman en enkele collega’s die vrolijk keuvelen als betreft het een receptie. Jeffrey K. zit alleen.
In de zaal neemt Jeffrey de leden van het tuchtcollege mee naar een dag in het voorjaar van 2006. Na een lunch, waarbij hij ook wijn nuttigde, stapte zijn vader in de auto. Het werd een onfortuinlijke rit. Vader K. belandde in de berm en kwam tegen een boom tot stilstand. Gealarmeerde agenten hielden de man aan. De blaastest die ze bij K. wilden afnemen wees hij af. Hij zei vanwege zijn longaandoening niet in staat te zijn op het ademanalyseapparaat te blazen. Kort daarna kwam de arts in beeld.
Namens justitie moest hij beoordelen of het klopte dat de blaastest op medische gronden niet kon worden afgenomen. Bleek dat juist, dan was hij bevoegd het alcoholpromillage vast te stellen via de bloedproef, de alternatieve manier.
K. zou als gevolg van het ongeluk het bewustzijn hebben verloren. Eenmaal bij zinnen zou hij de arts vertwijfeld en in hevige benauwdheid om extra zuurstof hebben gesmeekt. De arts weet zich van dat alles niets te herinneren. Hem staat slechts een ietwat grimmige conversatie bij met een man die zowel de blaastest als de bloedproef weigerde en begon te dreigen met een tuchtklacht als de arts hem niet eerst zou begeleiden naar huis.
In zijn klaagschrift dat vader K. kort daarna opstelt, schrijft hij dat de arts hem ter plekke uitgebreid had moeten onderzoeken. Bovendien had hij alles in het werk moeten stellen om te voorkomen dat de agenten hem toch meenamen naar het bureau, aldus K.
Het Regionaal Medisch Tuchtcollege in Eindhoven, waar de zaak in eerste instantie belandt, stelt vast dat de arts vanaf de plaats van het ongeluk contact heeft gezocht met K.’s huisarts. Volgens de waarnemer die hij aan de lijn kreeg, was K. inderdaad zuurstofbehoeftig, maar redenen om af te zien van een bloedproef waren er niet.
Door te bellen heeft de arts professioneel gehandeld, stelt het college. Dat K. tegen zijn zin toch op het bureau belandde voor een bloedproef, valt de arts niet te verwijten. Het is justitie die daarover beslist.
De behandeling in hoger beroep maakt K. zoals gezegd niet meer mee. Het is zoon Jeffrey die probeert het centraal tuchtcollege ervan te doordringen dat de arts zich echt heeft misdragen. In naam van zijn vader, welteverstaan. „De arts nam mijn vader niet serieus”, zegt Jeffrey. Hij betoogt dat de arts vanaf de plek van het ongeluk niet alleen had moeten bellen met de huisarts van zijn vader, maar ook met diens medisch specialist.
Tevergeefs. Daarvoor was, zo stellen de leden van het tuchtcollege zes weken na de zitting in hun uitspraak, geen enkele reden. Uit niets blijkt bovendien dat Jeffrey’s vader daarom heeft gevraagd. Voor het overige schaart het college zich volledig achter de eerdere uitspraak van de tuchtraad uit Eindhoven. Jeffrey’s klacht is kennelijk ongegrond.