De kinderarts staat samen met een huisarts terecht in één zitting. Klager is een gescheiden vader van drie kinderen. Over zijn aanklacht tegen de huisarts ging het vorige week in deze rubriek. Na zijn scheiding belandde de vader op afstand, aangezien de moeder de kinderen kreeg toegewezen. Hij zat ermee in zijn maag, vooral omdat zijn oudste zoon in augustus 2002 door diens opa -de schoonvader van de vader- was misbruikt en een jaar na dato nog niet bij Bureau Jeugdzorg was aangemeld.
Toen de vader ontdekte dat de huisarts zijn zoon zonder grondig onderzoek het versuffende antiallergiemiddel Promethazine voorschreef en verder afwachtte tot de moeder de jeugdzorg zou inschakelen, stapte hij naar de tuchtrechter. Ook zijn grieven jegens de kinderarts maakte hij daar kenbaar. Vooral diens optreden in de nacht van donderdag 21 augustus 2003 is laakbaar, stelt hij.
Drie nachten daarvoor, op dinsdag 18 augustus 2003, belanden moeder en zoon bij een doktersnachtdienst. De zoon is de gevolgen van het misbruik nog altijd niet te boven en vertoont ondanks de Promethazine forse gedragsstoornissen. De dienstdoende arts schrijft 6 tabletjes van 10 mg Oxazepam voor; een noodmedicatie met kalmerend effect. Hij, of een van zijn collega’s -dat wordt nooit duidelijk- regelt ook een afspraak met de kinderarts voor 21 augustus 2003. Om lastige vragen te vermijden, zet de moeder vooraf op papier wat er aan de hand is met haar zoon.
„Hij vertoont extreem agressief gedrag en zegt dan ook dat hij ons gaat doodschieten of -slaan”, typt ze voor ze van huis gaat. Over het door haar vader gepleegde seksueel misbruik rept ze opzettelijk met geen woord.
De kinderarts zal later verklaren dat de moeder normaal oogcontact maakte en overkwam als hoogontwikkelde vrouw. „Over vier dagen heb ik een afspraak bij Bureau Jeugdzorg”, liegt ze, evenals ze bij de huisarts deed, glashard. De leugen voert de kinderarts naar de conclusie dat hij de zaak slechts voor vier dagen beheersbaar hoeft te houden. „Daarna zou jeugdzorg het overnemen”, blikt hij terug. Ook hij verzuimt in 2003 het verhaal van de moeder te checken en grijpt naar de kalmerende middelen; in dit geval naar het slaaphormoon melatonine én naar het antipsychoticum Dipiperon. Zodoende is het kind, ondanks vele dokterscontacten, een jaar na het traumatische misbruik nog niet één keer echt onderzocht. De lijst met pillen en poeders die hij moet slikken blijft uitdijen. Over de doses Dipiperon hebben moeder en kinderarts tot in februari 2004, al met al voor de duur van zes maanden, telefonisch contact.
Het kind is de dupe; zoveel is tijdens de zitting bij het Centraal Tuchtcollege wel duidelijk. De kinderarts: „Blijkbaar ben ik er ingetuind, maar ik moet het ook maar hebben van wat ik hoor. De helft van mijn patiëntjes komt uit eenoudergezinnen. Als ik niet kan vertrouwen op alleen de vader ofwel de moeder, is het einde zoek.”
Het Centraal Tuchtcollege handheeft een eerder door een Regionaal Tuchtcollege opgelegde waarschuwing. De kinderarts had de huisarts over de voorgeschreven medicatie moeten informeren. Én hij had moeten ingrijpen toen bleek dat de moeder niet voor vier dagen maar voor zes maanden Dipiperon toediende bij haar kind. Het is het laatste oordeel in een zaak waarin de reputatie van twee bijna pensioengerechtigde medici een deuk oploopt. Maar zijn zij ook de echte boosdoeners, of alleen de kop van Jut?