Aanvankelijk wil het openbaar ministerie de jongeman vervolgen voor dienstweigering, maar op de zitting vervalt die aanklacht. Dus gaat het uitsluitend over een paar geweldsincidenten waarbij de militair een rol speelt.
Op de avond van 14 oktober 2007 wilde de militair praten met zijn ex-vriendin Annemarie en haar vriend. Bij Annemarie stond immers nog de dure motorfiets van Johnny. Die wenste hij met spoed terug te krijgen. Het gesprek wilde echter niet vlotten. „Ze liepen de hele tijd weg”, meent de potige soldaat. „Er zijn zo veel afspraken gemaakt, maar die werden steeds niet nagekomen.”
In zijn Volkswagen Golf achtervolgt Johnny Annemarie en haar vriend, gezeten in een Mercedes CLK 230 Kompressor. Als een bloedhond jaagt hij zijn prooi op. Nadat de militair het tweetal heeft klemgereden, grijpt hij Annemaries vriend bij de keel. Daarna stappen beide partijen weer in en wordt de dollemansrit met een snelheid van misschien wel 120 kilometer per uur vervolgd.
Tussen de voertuigen zit slechts een enkele meter. Op een rotonde rijden de auto’s met gierende banden een keer of tien rond. In de Mercedes staat Annemarie doodsangsten uit. In paniek belt ze alarmnummer 1-1-2. Later verklaart ze dat ze er rekening mee hield te worden doodgereden.
Bij de rechtbank schudt Johnny vol onbegrip zijn hoofd. „Ik ben niet gek. Ik was echt niet van plan hen aan te rijden.”
Annemarie en haar vriend rijden linea recta naar het politiebureau in Stadskanaal. De agenten die daar klaarstaan -„nog net niet met getrokken pistolen”, aldus Johnny- zien hoe de twee auto’s in volle vaart komen aanscheuren. Door de „zeer hoge snelheid”, noteren de verbalisanten later, moet Johnny „krachtig remmen” om een botsing te voorkomen.
De gefrustreerde soldaat staat voor meer wangedrag terecht. Op 5 februari 2006 deelt hij bij een disco in Stadskanaal leeftijdsgenoot Niek twee kopstoten uit. Het incident begint met een opmerking van Johnny tegen Niek: „Je staat strak van de coke.” Niek zou vervolgens zijn hand hebben opgeheven, waardoor Johnny naar eigen zeggen uit „zelfverdediging” de kopstoten uitdeelde.
Een getuige verklaart echter dat Johnny een „opgefokte” indruk maakte. De militair geeft toe dat hij „vijf, zes drankjes cola-Beerenburg” en een „paar glazen bier” achter de kiezen had. Het slachtoffer moet naar de kaakchirurg.
Later die avond toont de militair zich bij een opstootje in dezelfde disco andermaal van zijn agressieve kant. Naar eigen zeggen krijgt hij een klap als hij twee vechtersbazen uit elkaar wil halen. Johnny H. slaat hard op het hoofd van zijn vermeende belager Peter. Het slachtoffer loopt maandenlang met angstgevoelens rond.
Advocaat B. Damen stelt dat Johnny H. tijdens de dollemansrit de anderen niet wilde verwonden. Hij wijst erop dat de Mercedes „behoorlijk zwaarder gepantserd” is dan de Golf van zijn cliënt.
In de wandelgangen wijst de advocaat erop dat Johnny ernstig is ontregeld door de Uruzganmissie. De militair raakte in de knoop toen hij zag hoe „mensen werden opgeblazen.” „Hij heeft zich twee dagen opgesloten in een YPR-pantservoertuig.”
Officier van justitie Stikkelman eist een werkstraf van 200 uur en een voorwaardelijke celstraf van drie maanden. De rechter vonnist 240 uur werkstraf en een voorwaardelijke celstraf van drie maanden. Johnny, nog altijd ziek thuis, stemt ermee in dat hij psychiatrisch wordt behandeld.