Zijn metgezel zou een jongere broer kunnen zijn met zijn verwilderde haardos en houterige gebaren. Roy -zonder advocaat- ploft neer in het verdachtenbankje, de vriend loopt nors naar het dichtstbijzijnde stoeltje in de publieksruimte en neemt daar plaats.
Tussen 24 mei en 6 juni 2007 is Roy ’s nachts drie keer gezien bij ’t Spieghel, de milieustraat van de gemeente Leusden. Op het terrein staat een container met gedumpte spullen die geschikt zijn voor hergebruik. Vaste afnemer is het Kringloop Centrum Leusden. Klopt het dat Roy ervandoor ging met een fiets, een computer en een Twinny Load die eigenlijk voor de kringloop waren bedoeld?
De verdachte knikt. „Ik zat in een slechte periode. Relatieproblemen, geen vaste baan. Voor mijn zoontje wilde ik speelgoed kopen. Toen kwam ik langs de container. Ik dacht dat het afval was.”
In het proces-verbaal staat dat Roy alle keren midden in de nacht werd aangehouden. Eén keer was in het hek rond het terrein een gat gemaakt, een andere keer was het slot van de container geforceerd. „Man”, zegt Roy over het ’s nachts op pad gaan tegen officier van justitie M. Vuylsteke, „ik moest voeden, spelen. Overdag van huis gaan, met een kind, dat kan toch niet?” Vooruit, dat is lastig, maar ’s nachts op pad gaan én hekken en sloten vernielen; dat riekt toch naar duidelijke opzet? „Man, man, man”, zucht Roy opnieuw. „Die agent bleef maar herhalen: Dus jij hebt het hek vernield én die container. Uiteindelijk heb ik maar ja gezegd.”
Ook over zijn aandeel in de vermeende mishandeling van Linda J., zijn toenmalige vriendin, verschilt Roys lezing bij de rechter nogal van datgene wat agenten na zijn aanhouding in augustus 2007 noteerden. De verbalisanten schreven op: „Ik heb haar nooit geslagen. Nu wel”, leest de vrouwelijke politierechter A. Muller voor uit het dossier.
Weer regent het: „Man, man”, als Roy op die verklaring moet reageren. „Zij is psychisch gestoord en flipt regelmatig. Dat weet iedereen.” Op de bewuste avond, zegt Roy, verkocht Linda hem een serie kopstoten, zodat hij uiteindelijk met zijn zoontje op de arm het huis moest uitvluchten. Met een arm weerde hij de stoten af, mogelijk liep Linda daarbij een kneuzing op. Het klopt dat een gealarmeerde agent hem op straat opving en dat de ander binnen poolshoogte ging nemen. Maar dat hij toen het opzettelijk slaan heeft toegegeven? Nooit!
Inmiddels woont Roy samen met een nieuwe vriendin en heeft hij een baan als dakdekker. „Hij gaf zijn leven een positieve wending”, aldus de reclassering, „maar de verantwoordelijkheid om problemen op te lossen, legt hij nog steeds bij anderen neer.”
De officier eist 180 uur werkstraf, waarvan 140 voorwaardelijk. De bijbehorende proeftijd duurt 2 jaar, voorwaarde is dat Roy bij de reclassering een cursus cognitieve vaardigheden volgt. Alle ten laste gelegde feiten, inclusief de mishandeling, acht de aanklager bewezen. „Al wil ik graag aannemen dat ook mevrouw zich niet onbetuigd gelaten heeft.”
Het gezicht van Roy betrekt als hij de werkstraf hoort eisen. „Man, ik leg dagelijks 500 dakplaten van 60 tot 80 kilo. Als ik ’s avonds thuiskom, ben ik kapot.”
Het vonnis verschilt nauwelijks van de strafeis, omdat rechter Muller geen reden ziet om te twijfelen aan de verbalisanten. Alleen de omvang van de taakstraf -150 uur, waarvan 100 voorwaardelijk- verschilt.