Al evenmin is het de vraag of het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) hem terecht uitnodigde voor de Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (EMA). Die maatregel, een driedaagse cursus met veel aandacht voor verkeersdeelname en alcohol, is bedoeld voor drinkebroers bij wie een promillage tussen 1,3 en 1,8 wordt gemeten. Ook voor Yilmaz dus.
De EMA staat los van de celstraf of de boete die een rechter kan opleggen. In het toepassen van de spelregels is het CBR onverbiddelijk: wie de cursus niet op tijd betaalt of de kantjes eraf loopt, is zijn rijbewijs kwijt. Yilmaz bedacht zich dan ook niet toen het CBR hem in een op 8 juni 2007 gedateerde brief sommeerde de cursus te volgen. Drie keer binnen zeven weken zou hij in de schoolbankjes gaan zitten en zich door verslavingsdeskundigen laten voorlichten over de gevolgen van alcoholgebruik in het verkeer.
De baas van de straatarme Turk wilde uiteindelijk wel betalen. Hij voldeed de cursuskosten van 664,65 euro per 26 september 2007; ook dat staat vast. Te laat, schreef het CBR, want al op 17 augustus was de betalingstermijn verstreken. Dat was het laatste wat Yilmaz ervan hoorde. Naast zijn rijbewijs verloor hij ook zijn baan. Een pakjesbezorger zonder rijbewijs in dienst houden vond de baas te duur.
„Voor mijn cliënt is dit een koude douche”, zegt Yilmaz’ raadsman, mr. A. J. Kiela. „Hij kan zich niet voorstellen dat een paar biertjes te veel hem en zijn gezin de das omdoen.” Volgens de advocaat vergroot de rigoureuze handelwijze van het CBR de toch al bestaande misère. Yilmaz zit in de schuldsanering en moet een gezin onderhouden met een inkomen van 90 procent van het bijstandsniveau.
Zegt het CBR dat Yilmaz tot aan het moment dat zijn baas betaalde niets van zich liet horen, Kiela zegt dat zijn cliënt volhoudt zijn benarde omstandigheden binnen de termijn te hebben toegelicht in een bezwaarschrift. Zo is er wel meer wat niet vaststaat, betoogt de raadsman. Bijvoorbeeld: wanneer ontving Yilmaz de eerste brief?
Kiela: „Het CBR kan niet aantonen dat Yilmaz de brief daags na de dagtekening van 8 juni heeft ontvangen. Wie weet arriveerde de brief pas weken daarna en dacht Yilmaz dat hij vanaf de ontvangstdatum nog tien weken over zijn reactie mocht doen. Het ligt op de weg van de bestuursrechter daar duidelijkheid over te verkrijgen. Deze handelwijze van het CBR strijdt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.”
„Mijn laatste strohalm”, noemt Kiela het argument dat het CBR de brief aangetekend had moeten versturen. Als de rechter daar niet in meegaat, is Yilmaz „de klos.”
Yilmaz ís de klos, zo blijkt enige weken later. Een kopie van zijn kennelijk verstuurde bezwaarschrift kan hij niet overleggen „en evenmin aannemelijk maken een dergelijk poststuk te hebben verstuurd.” Ook met het verhaal van de betalingstermijn maakt de rechter R. P. den Otter korte metten: in de CBR-brief staat zwart-op-wit dat de kosten binnen tien weken na de verzenddatum moeten zijn betaald.
Sneu of niet, privéomstandigheden worden, anders dan in het strafrecht, in het bestuursrecht zelden meegewogen. Het vonnis: „Gelet op het gebiedende karakter van de Wegenverkeerswet is er geen ruimte voor een afzonderlijke belangenafweging.”