In 2003 huurt Gerrit K. een staanplaats, nummer C-43, op camping ’t Zandwater. Hij zet er een stacaravan neer. Het is een oud beestje: bouwjaar 1978. De jaarlijkse huur bedraagt 1475 euro. Daarbovenop komen kosten van gas, water en elektra.
Problemen ontstaan in april 2006. Gerrit K. betaalt zijn rekeningen niet of slechts gedeeltelijk. Diverse aanmaningen kunnen K. niet over de streep trekken. In september 2006 zet de campingbaas de zaak op scherp. Als Gerrit K. binnen twee weken niet met geld over de brug komt, wordt de huurovereenkomst ontbonden en mag hij zijn gezicht op de camping niet meer laten zien. Intussen is K. de campingbaas 1683 euro verschuldigd.
Met lede ogen ziet de campingbaas hoe de staanplaats van Gerrit K. achteruitboert. De krakkemikkige caravan en de staanplaats zien er onverzorgd uit.
In september 2007 doet de beheerder een laatste wanhoopspoging om uit de impasse te komen. Per brief krijgt K. te horen dat hij óf moet betalen óf afstand moet doen van zijn caravan, waarbij sloopkosten voor zijn rekening komen.
Het komt er allemaal niet van.
Nu, in december 2007, staan de partijen in de rechtszaal tegenover elkaar in een kort geding.
Gerrit K. rommelt in een stapeltje foto’s van de aftandse caravan. Die plaatjes zijn misleidend, houdt hij de rechter voor. „De caravan is niet in slechte staat. Er staat een nieuwe keuken in, met splinternieuwe combimagnetron, en er zitten nieuwe slaapkamers in.”
Het zint K. niet dat hij ook gas, water en elektra over 2007 moet betalen, terwijl hij dat jaar al niet meer in zijn caravan verbleef.
De campingbaas reageert verbolgen. „Ik hou me netjes aan de meters. Iedere expert mag dat controleren. Als ik in de winter de zaak zou afsluiten, zou de waterleiding zijn kapotgevroren en de radiator kapot zijn gegaan.”
Gerrit K., met de handen quasinonchalant achter zijn hoofd gevouwen, heeft nog meer noten op zijn zang. Hij kón zijn caravan niet weghalen, want hem was immers de toegang tot de camping ontzegd?
Daar wil de campingbaas ook zijn zegje over doen. „Als K. gebeld had dat hij de caravan zou weghalen, zou hij best op het terrein hebben gemogen. Hij liet echter nooit van zich horen.”
Met een soort Salomowijsheid doet de kortgedingrechter een voorstel: kunnen de partijen er ter plekke uitkomen? De campingbaas kan wel blijven doorprocederen, maar daarmee is die caravan nog niet opgeruimd.
Zo gezegd, zo gedaan. De zitting wordt geschorst. Beide partijen gaan de gang op. Ze zetten zich op ruime afstand van elkaar aan een tafeltje. De advocate van de campingbeheerder voert koortsachtig overleg met Gerrit K. Zodra de advocate met klikkende hakken naar het andere eind van de gang gaat, is de onderhandeling weer een stukje gevorderd.
Na een halfuur beent de campingbaas naar het rechtszaaltje. Hij is het onderhandelen beu. Een compromis tussen beide partijen lijkt op de valreep te sneuvelen. „Ik ga tot de bodem”, bijt hij Gerrit K. toe.
In de rechtszaal komen de partijen toch nog tot een vergelijk. Gerrit K. hoeft zijn schuld niet te betalen. De campingbeheerder krijgt zeggenschap over de caravan, inclusief meubilair. Gerrit K. mag alleen over twee dagen persoonlijke papieren en veertien dozen met vloerdelen afhalen bij de receptie van de camping. En daarna moet hij vlug wegwezen.