Zijn weg gaat niet over rozen. In 2002 wordt hij geveld door een ernstige burn-out. Pas in 2005 kan hij de draad op school weer oppakken. Op zijn verzoek wordt hij ontheven van de taak van stagebegeleiding. De docent doorloopt een herintredingstraject. Verder lijkt er geen vuiltje aan de lucht. In 2006 krijgt Anton er een salarisschaal bij.
Problemen ontstaan begin 2007. Tot zijn verbazing krijgt de docent in een gesprek met zijn leidinggevende de boodschap dat een fors deel van zijn takenpakket wordt ingetrokken. Zo acht de school de docent ongeschikt voor het vak bostechnologie. Later hoort hij dat hij van ál zijn taken wordt ontheven.
Extra wrang vindt de leraar het dat zijn leidinggevende een memo binnen de school heeft rondgestuurd. De boodschap liegt er niet om: Anton functioneert niet goed. In zijn contacten met studenten van de school maakt hij er een potje van.
Anton is laaiend. Dat hij niet goed zou functioneren noemt de docent „pertinent onwaar.” De memo is „onzorgvuldig en enkel gericht op escalatie”, stelt zijn pleitbezorger.
Zoveel is duidelijk: de verhoudingen tussen docent en school zijn ernstig verstoord. Vanaf de zomer van 2007 laat de getergde leraar op school nog maar nauwelijks zijn gezicht zien.
De rapen zijn pas echt gaar als Anton in de zomer van 2008 te horen krijgt dat hij wordt overgeplaatst naar praktijkleerschool IPC in Schaarsbergen, een onderwijsinstelling die samenwerkt met Van Hall Larenstein. De docent voelt zich overrompeld. Hij vreest dat zijn werkgever hem via deze actie definitief probeert te lozen. Anton laat de praktijkleerschool IPC weten vooralsnog niet te komen.
Zijn actie is tegen het zere been van de Van Hall Larenstein. Die vindt dat Anton het IPC-traject „doelbewust torpedeert.” Voor straf wordt Anton vijf dagen geschorst en krijgt hij die tijd geen salaris.
Intussen laat de docent het er niet bij zitten. Hij vecht de inperking van zijn takenpakket aan via een zogeheten heroverwegingscommissie binnen de hogeschool. Die onderzoekt of de school het personeelslid wel netjes heeft behandeld.
Halverwege december 2008, bij de kortgedingrechter, zet Antons pleitbezorger Baas de zaak op scherp. De Van Hall Larenstein moet de docent al zijn taken teruggeven, op straffe van een dwangsom van 7500 euro per dag tot een maximum van 375.000 euro. Ook heeft de leraar recht op smartengeld van ten minste 5000 euro en op het niet-betaalde loon van een week.
De hogeschool blijkt niet sterk te staan. De heroverwegingscommissie, waar de docent zijn beklag deed, geeft de school begin december 2008 een harde tik op de vingers. De beslissing om te gaan hakken in het takenpakket van de bosbouwdocent „is niet op deugdelijke wijze” genomen. Zo kan de school niet terugvallen op verslagen van functioneringsgesprekken met de docent.
De school geeft toe dat zijn negatieve oordeel over de leraar „niet goed is vastgelegd”, aldus raadsvrouw mr. S. Kropman. „Deze zaak heeft de school wakker geschud.” Van Hall Larenstein kiest eieren voor zijn geld en biedt de docent aan om de eerste maandag in 2009 met hem te gaan praten. Hij zal zijn taken terugkrijgen. Die toezegging weerhoudt Baas er niet van toch aan te dringen op een uitspraak van de rechter.
De rechter geeft half januari 2009 de docent gelijk. De school moet de inperking van het takenpakket ongedaan maken, op straffe van een dwangsom van 1000 euro per dag tot een maximum van 100.000 euro. Ook heeft Anton recht op de week salaris en op smartengeld van 2000 euro, onder meer vanwege langdurige onzekerheid en „aantasting van zijn goede naam en eer.”