Maar echt boer is Samidi niet meer. Sinds de klad kwam in de verbouw van tabak komt zijn werk neer op wat schoffelen in de marge. En moeten hij en zijn vrouw zich als arbeiders verhuren willen ze dagelijks nog één euro binnenkrijgen. Om de kleine Ismianto naar school te laten gaan en andere dingen te bekostigen, heeft de familie zich flink in de schulden gestoken. Zo zelfs dat schuldeisers hun schuur tot op de laatste splinter kunnen opeisen.
Wat voor de familie overblijft is schaamte. Diepe schaamte over zo’n miserabel leven. Maar er is meer. Want Samidi en Myati behoren tot de christelijke gemeente van Cuntel, en dat scheelt. Die staat hen bij als er weer eens geld nodig is. Of goede raad. En zo helpt de kerk hen het ”Zijt niet bezorgd” te leren spellen en beoefenen. Want dat doe je niet in je eentje. Als een meerstemmig refrein klinkt het vanuit de gemeente, dat lichaam met zijn vele leden. En als een onbegrepen geheim wordt het belééfd: onze Vader zorgt.