Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep
  Algemeen

Narnia

Het eerste deel van The Chronicles of Narnia -een kinderboekenserie van C. S. Lewis- is verfilmd. De reacties spreken elkaar tegen. Een recensie in NRC Handelsblad noemt de productie „drammerig christelijk.” Het Parool spreekt over „loodzware christelijke symboliek.” Maar onder sommige hbo-studenten in reformatorische kring circuleert via e-mail een bericht dat Narnia „zindert van de toverij.”
De genoemde kranten zien achter de film een „christelijke boodschap”, „zendingsdrift”, en beluisteren een „afgemeten zalvende toon.” De auteur van de zevendelige reeks heet een „diepgelovige schrijver”, die kinderen meeslepende avonturen voorzet, waarbij ze „en passant de christelijke leer krijgen ingegoten.” Maar op internet typeren tal van christenen de film als „occulte fantasie” en „satanische propaganda.”

De drie opmerkingen die ik ga maken betreffen niet de kwaliteit van de verfilming van Lewis’ boeken. Ze vormen helemaal geen pleidooi aan het adres van jonge mensen om maar te gaan kijken. Integendeel. Ik zie niet veel heil in films in het algemeen. En ook niet in dat genre als evangelisatiemogelijkheid. Mijn commentaar vraagt christenen vooral om in hun verzet tegen kwaad niet slechts goed klinkende kreten, maar feitelijke argumenten te gebruiken.

Het is in de eerste plaats niet correct om Lewis en de film over één kam te scheren. Het staat wel vast dat de auteur niets wilde weten van verfilming van zijn boeken. En zeker niet van de nu op de site van producent Disney gepubliceerde tekst. De maker spoort aan de film te gaan bekijken en gebruikt daarbij de volgende woorden: „Ontmoet de witte heks in Disneyland.” Op de site zit bovendien een link naar „nog meer magie.” Niemand mag er zich toe laten verleiden zulke woorden toe te schrijven aan Lewis. Wie dat doet, maakt hem op die manier tot een occult mannetje.

Een aanhangsel van het hervormd herderlijk schrijven ”Christen-zijn in de Nederlandse samenleving” uit 1955 schreef: „In nog veel sterkere mate dan ten aanzien van de pers geldt voor de film dat zij beheerst wordt door de financiële uitkomsten van de bedrijven die zich met de exploitatie daarvan bezighouden. Dit leidt er maar al te dikwijls toe dat slechts de smaak en de sensatiezucht van het publiek de toon aangeven.” Het zou een wonder zijn als Disney aan deze valkuil zou zijn ontsnapt. Distantie van zulke opzet achter een film mag echter niet automatisch leiden tot een vonnis over Lewis.

Een tweede opmerking betreft de bron van de beschuldiging van occultisme en toverij aan het adres van Lewis. Ik denk dat de oorsprong vooral ligt bij een aantal Amerikaanse internetsites. De boodschap waarvan ik kennisnam, komt uit Brugge. Daar belegt een groep, Real Life, elke zondagmiddag drie tot vier uur durende bijeenkomsten. De leiders beschouwen de groep niet als een „gekke sekte”, maar spreken over een „christelijke samenkomst.” Echter, uitdrukkelijk niet zoals gevestigde kerken.

„Ons verlangen is om heel dicht bij God te komen en Hem te aanbidden met alles wat we hebben”, zegt hun presentatie. „Elke samenkomst verloopt anders, omdat we proberen het door Gods Geest te laten leiden. We volgen geen strak programma, omdat we God de ruimte willen geven om te kunnen doen wat Hij wil doen. We willen dus niet zelf de touwtjes in handen hebben, maar stellen ons zo afhankelijk mogelijk op van Gods Geest.” Hun kritische woorden over Lewis en zijn boeken „vol occulte invloed” bevatten tegelijk een pleidooi voor het gedachtegoed van de pinkstergemeenten. De lengte van deze column laat niet toe mijn vraagtekens in dezen te motiveren.

Een derde kanttekening. Het is simpel om informatie van het web te vertalen en te verspreiden. Maar kloppen de gegevens? Volgens Real Life „at en dronk Lewis van de Griekse en Romeinse literatuur, die valse goden predikt.” „Hij slurpte het op en was er zo vol van, dat deze hele wereld van afgoden en toverij in zijn boeken naar buiten is gekomen.”

Lewis raakte inderdaad als kind bekend met sprookjes en mythen. Tijdens zijn studie had hij te maken met Homerus. Hij studeerde af op het gebied van Engelse, Griekse en Latijnse literatuur, filosofie en geschiedenis. Hij heeft er gebruik van gemaakt bij zijn, het christelijk geloof verdedigend, apologetisch werk. Maar tegelijk schreef hij in een ongepubliceerde brief uit 1961 aan een jonge bewonderaar dat „het hele Narniaverhaal over Christus gaat.” Dat is toch iets anders dan het oude heidense gedachtegoed propageren?

Als een discipel van Lewis beschouw ik mijzelf niet. Ik las boeken van hem waarvan ik dacht: Passeert hij hier geen grenzen? Het is echter zaak zorgvuldig om te gaan met iemands goede naam. Zouden de genoemde recensenten de inhoud van de film beter hebben begrepen dan de geciteerde christelijke critici?

Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels