Boerema kwam van Winterswijk, waar hij cantor-organist van de Jacobskerk was. „Een prima plek voor een net afgestudeerde organist-koordirigent. Ik heb daar zeven jaar met plezier het vak van kerkmusicus geleerd en beoefend.”
Toen de functie van Laurensorganist vrijkwam door het vertrek van Johan Th. Lemckert, hoefde Boerema niet lang na te denken of hij zou solliciteren. „Ik heb les gehad van Lemckert en speelde in mijn conservatoriumtijd al veel in de Laurens. Ik heb al mijn examens hier gedaan en ik verving Lemckert af en toe tijdens diensten. Ook studeerde ik kerkmuziek bij Barend Schuurman, de toenmalige cantor hier. Ik had dus een stevige band met de Laurens. Het was mijn jongensdroom om er organist te worden.”
Diensten
Sinds die droom in vervulling ging, is Boerema elke zondag een groot deel van de dag in de Laurens te vinden. „Er zijn hier elke zondag minimaal drie diensten. De eerste begint om 9.00 uur en is een SoW-dienst. Om 10.30 uur volgt de hoofddienst, die beurtelings wordt verzorgd door de vrijzinnige stroming en het citypastoraat. Om 19.00 uur is er een vesperdienst. Tussen Pinksteren en september hebben we om 17.00 uur nog een dienst van de Gereformeerde Bond.”
Ervaart Boerema het als een nadeel dat hij voor zo veel verschillende groepen kerkgangers speelt? „Nee. Ik ben weliswaar organist van het gebouw en niet van een bepaalde gemeente, toch merk ik dat de mensen die hier kerken het contact met mij zoeken. Ondanks de afstand omarmen ze mij als hun organist.”
Vooral in de hoofddienst en de vesperdienst is er veel ruimte voor orgelspel. Boerema: „Ik improviseer en speel literatuur. Eens in de maand is de vesperdienst gewijd aan een Bachcantate. De andere keren voeren we muziek uit van componisten als Stanford, Peeters en Vierne. De liturgieën van de diverse diensten zijn zo verschillend dat ik eigenlijk niets kan herhalen. Ik moet elke zondag zorgen voor nieuw repertoire. Dat is inspirerend, maar ook zwaar.”
Zijlijn
Niet alle diensten speelt Boerema op het hoofdorgel. „De SoW-dienst begeleid ik op het koororgel, maar eigenlijk is dat te klein. Het transeptorgel is groter, maar staat letterlijk en figuurlijk aan de zijlijn. Het verkeert op dit moment in slechte staat; het is vuil en ontstemd. Het moet nodig gerestaureerd worden. Het transeptorgel is inmiddels vijftig jaar oud en heeft daarmee de status van monument. Wellicht dat er daardoor op korte termijn geld vrijkomt. Het instrument is het waard; het is qua klank mooier dan het grote orgel.”
Bij de functie van Boerema hoort dat hij verantwoordelijk is voor de staat van onderhoud van de Laurensorgels. Voor het grote orgel betekent het dat hij de tongwerken geregeld stemt. Met een zucht: „Het zijn er 24. Ik heb zo’n hekel aan dat werk; ik word er helemaal dol van. Gelukkig worden er maar twaalf tongwerken veel gebruikt, dus die houd ik goed bij. Dat kost me twee tot drie uur per keer. Het orgel is voorzien van stemknoppen, zodat ik zelf de ‘toets’ kan indrukken en geen assistent nodig heb.”
Doordeweek is Boerema weinig in de Laurens te vinden, omdat de kerk vaak bezet is. „’s Ochtends voor 10 uur heb ik de meeste kans, maar dat is niet zo’n aantrekkelijk tijdstip om te studeren. Daarom doe ik dat thuis, op mijn ‘elektronische hometrainer’. Wat mijn leerlingen betreft, is het iedere keer een gepuzzel om een geschikt moment af te spreken. Gelukkig zijn de meesten zo vergevorderd dat ze maar één keer per maand langskomen.”
Grote werken
Boerema is verguld met zijn collega-musicus in de Laurens, cantor Wiecher Mandemaker. „We zijn van ongeveer dezelfde leeftijd, zijn vlak na elkaar hier begonnen, hebben allebei orgel en kerkmuziek gestudeerd en kunnen het uitstekend met elkaar vinden.”
Welke invloed heeft het grote orgel op Boerema’s muzikale ontwikkeling? „Ik heb altijd voorkeur gehad voor orgels waar je alles op kunt spelen. Ik kom uit het noorden van het land en daar heb je zulke orgels niet. Het Marcussenorgel is wel zo’n instrument. Het stimuleert mij de grote orgelliteratuur te studeren: Bach, Franck, Widor, Reger en niet te vergeten Messiaen.”
Boerema’s eerste solo-cd op het Marcussenorgel, in maart gepresenteerd, bevat twee symfonieën van Widor. Waarom deze muziek? „Ik wil laten horen dat het orgel symfonisch kan klinken. Ik weet dat de reputatie van dit instrument niet altijd onomstreden is geweest. Sommigen vinden het vlees noch vis. Ik ben ervan gaan houden. Je kunt dit orgel vies laten klinken, maar als je er verstandig op registreert, is het een prachtig instrument met oneindig veel mogelijkheden. Het is net een grote snoeptrommel.”
Toch heeft Boerema wel een paar wensen. „Dit orgel is 36 jaar oud; al die tijd is er nooit iets fundamenteels aan veranderd. Wat mij betreft krijgt het een flinke herintonatie, waarbij de extreme spuck van sommige registers verdwijnt en het orgel meer grond en diepte krijgt. Tegelijk zou serieus overwogen moeten worden om een setzer te plaatsen, zodat je registraties elektronisch kunt opslaan. Dit instrument was bedoeld om zich te kunnen meten met de grote Europese concertorgels. Dat is qua omvang gelukt, qua bruikbaarheid niet.”
Dit is deel 3 in een serie over organisten in een grote stadskerk. Volgende week deel 4: Gouda.