Vaste bespeler is Anton Pauw, samen met zijn collega Jos van der Kooy. „Dit orgel spreekt heel veel talen”, zegt Pauw. „Het heeft een brede, ronde klank, een enorme draagkracht, en het staat in een geweldige ruimte. Die combinatie heeft ertoe geleid dat ik in de loop van de tijd rustiger en monumentaler ben gaan spelen.” Pauw is in dienst van de gemeente Haarlem als organist voor de kerkelijke activiteiten. Verder heeft hij een kerkelijke aanstelling als cantor. Van der Kooy neemt de stadsorgelconcerten grotendeels voor zijn rekening.
Als kerkorganist begeleidt Pauw de zondagse diensten. Hij maakt er graag „iets moois” van. Pauw laat zien hoe hij het openingslied begeleidt. „We zingen hier meestal één psalm per dienst, de rest zijn liederen. Noem maar een psalm.” Het wordt de achtste. De organist zet in met een korte barokke prelude op het bovenwerk. „Zo doe ik het meestal. Dan zet ik de begeleiding en de cantus firmus alvast klaar op de andere twee klavieren.” Vervolgens speelt hij drie coupletten met wisselende uitkomende stem.
Bij het uitbeelden van liedteksten probeert Pauw de sfeer van een lied te verklanken. „Ik beweeg me niet op het niveau van elke lettergreep, dan krijg je orgelcabaret. Zoiets kan heel banaal worden. Wel probeer je iets met de liedteksten te doen, zodat je mensen aan het denken zet. Zo zongen we hier afgelopen zondag Gezang 252 uit het Liedboek, over de goede vruchten van de Geest. In het derde couplet staat het dreigement dat degene die zich niet overgeeft „voorgoed verloren gaat.” Ik heb toen gemoduleerd naar een lagere toonsoort, en het laatste couplet met schrille dissonanten gespeeld. Leuk als je na de dienst hoort dat het mensen is opgevallen.”
Polle de Orgelman
Pauw is verantwoordelijk voor de serie Zomeravondmuziek in de Bavokerk. Er worden vespers, evensongs en kerkmuziekconcerten georganiseerd, met voorgangers uit diverse kerken. Zo was er in juni het Roder Jongenskoor met een anglicaanse evensong. In augustus staat een avondviering gepland rondom het Geneefs Psalter, ter gelegenheid van het Calvijnjaar. „Als organist van de Bavo ben je ambassadeur van het orgel. Aan allerlei mensen demonstreren Jos en ik het instrument. Er komen toeristen uit Amerika, Duitsland, Japan. Er komen tv-ploegen, er zijn bedrijfsuitjes. Voor schoolklassen hebben we Polle de Orgelman. Zelf ben ik ook wel eens als achttiende-eeuwse organist verkleed geweest. We willen dat de kinderen in Haarlem ten minste één keer met het orgel hebben kennisgemaakt.”
Orgelconcerten gaf Pauw in het begin van zijn Haarlemse tijd veelvuldig. De laatste jaren is het concerteren voor hem helaas niet meer mogelijk. „Dat is een pijnlijk punt voor me. Ik heb een handblessure die me verhindert om een uur een concert te geven. Focale dystonie heet dat, een gevreesde kwaal voor musici. Kortere bespelingen, met een preek ertussendoor, gaan wel goed. Dan heeft je hand tussendoor rust.”
Pauw studeerde orgel aan het Sweelinck Conservatorium bij Piet Kee. Lessen in het kerkelijk orgelspel ontving hij bij zijn voorganger Klaas Bolt. „Ik heb veel van hem geleerd”, blikt hij terug, „maar ik voelde me toch niet zo verwant met zijn opvattingen over gemeentezang. Bolt was geïnteresseerd in gemeentezang als autonoom verschijnsel, als volkszang die aan eigen wetten gehoorzaamt. Alles wordt gespeeld in één tempo, en dat is het tempo van de gemeente. Als organist volg je dat. Deze traditie van gemeentezang is feitelijk verdwenen sinds de invoering van de liedbundels in 1938 en 1973. We hebben hier in de Bavokerk een midden-orthodoxe gemeente waar volkszang op die manier niet meer bestaat.” Zelf laat Pauw de gemeente zingen in verschillende stijlen en verschillende tempi, afhankelijk van het lied dat op de lezenaar staat. „Een Engelse hymn begeleid ik in een andere stijl en een ander tempo tempo dan een renaissancelied.”
Pauw voelt zich goed thuis op het Müllerorgel. „Op een instrument met bijvoorbeeld een middentoonstemming zou ik me minder thuis hebben gevoeld. Ik heb nooit voorkeur voor een specifieke stijl gehad. Wat dat betreft zit je goed op dit orgel. Je kunt er met alle stijlen uit de voeten, of het nu om een preludium van Buxtehude gaat of om een Choral van César Franck. Tongwerken voegen zich prachtig in het plenum. En je kunt hier ook heel vloeiend een crescendo opbouwen.”
De organist demonstreert zo’n opbouw van zacht naar fors. Terwijl hij met de ene hand speelt op het middenklavier (hoofdwerk), met het bovenwerk en rugwerk gekoppeld, trekt hij met de andere hand in vlot tempo een reeks achtvoeten open: de Viola di Gamba van het hoofdwerk, de Baarpijp van het bovenwerk, de Roerfluit van het hoofdwerk, de Quintadeen van het bovenwerk, de Octaaf van het hoofdwerk, de Holpijp van het rugwerk, de Prestant van het bovenwerk, de Prestant van het rugwerk. Pauw: „Je hoort: het verloop van dit crescendo is vloeiend. Er zitten geen hikken in.”
Dit is deel 5 in een serie over organisten in een grote stadskerk. Volgende week deel 6: Utrecht.