Van Beek is als organist in de dienst van de „orthodox-hervormde” gemeente in Groningen. De kerk en het orgel worden echter beheerd en geëxploiteerd door een stichting. Voor de kleiner wordende kerkgemeente zouden de lasten anders niet meer op te brengen zijn.
Van Beek heeft begrip voor de situatie, maar hij moest wel wennen aan de zakelijke manier waarop bedehuis en instrument worden vermarkt. „Er worden allerlei evenementen in de kerk georganiseerd en de stichting bepaalt wie er op het orgel mag spelen. Als ik doordeweeks even wil oefenen, dan moet ik daar eerst toestemming voor vragen.”
Het steekt Van Beek een beetje dat hij, met zijn staat van dienst, buiten het orgelbeleid wordt gehouden. „Iedereen mag op het orgel spelen, uiteraard tegen betaling. Het orgel in de Martinikerk is een zeer kostbaar en beroemd monument. Daar moet je gewetensvol mee omgaan.”
Toch wil Van Beek niet klagen. „Ik mag op een geweldig mooi orgel spelen, daar ben ik dankbaar voor. Ik tel mijn zegeningen.” De Groninger organist noemt zijn instrument „misschien wel een van de allermooiste ter wereld.”
De oudste gegevens over het orgel gaan terug tot 1450. In 1542 is het orgel door een onbekende orgelbouwer omgebouwd in renaissancestijl. In de jaren 1691 en 1692 is het fundament voor het huidige orgel gelegd door Arp Schnitger. Het rugwerk werd in de periode 1728-1730 toegevoegd door zijn zoon Franz Casper en Anthonie Hinsz. In 1939 had een grote ombouw plaats door firma De Koff, die de tractuur elektrisch maakte.
Romantisch getint
Dat was de situatie waarin Van Beek het orgel in 1956 aantrof. „Ik was destijds organist in de Willemskerk te Den Haag. Om mijn financiële positie te verbeteren, solliciteerde ik naar een baan bij de Stedelijke Muziekschool in Groningen, de voorloper van het huidige conservatorium. Daar hoorde het organistschap van de Martinikerk bij. Er was veel concurrentie, maar mijn spel viel kennelijk in de smaak.”
Het orgel in de Martinikerk was op dat moment niet in beste doen. „De klank was romantisch getint en de elektrische tractuur maakte het spelen van virtuoze werken lastig omdat de speeltafel was geplaatst op de gaanderij, zodat er een haast onoverbrugbare afstand bestond tussen speler en instrument. Het directe contact met het orgel was niet voelbaar. Voor gastorganisten was dat best lastig, maar ik kon er aardig mee overweg. In die tijd speelde ik het romantische repertoire, bijvoorbeeld de Vijfde Symfonie van Widor, en werken van Marcel Dupré, César Franck, Duruflé en Messiaen.”
In 1977 werd het orgel grondig onder handen genomen door Jürgen Ahrend op aanwijzingen van Cor Edskes. Hij reconstrueerde hoe het orgel in zijn gloriedagen geklonken moest hebben. Van Beek: „Het is een unieke restauratie geworden.”
Salaris: 1 gulden
Precies op het moment dat het orgel voor langere tijd zou worden ontmanteld, kreeg Van Beek een telefoontje van zijn vroegere docent van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, Adriaan Engels. „Hij vroeg of ik hem wilde opvolgen als hoofdvakleraar orgel in Den Haag. Ik zou dan tegelijk organist kunnen worden van de Grote Kerk, waar juist een nieuw orgel in gebruik was genomen. Dat kwam prachtig uit, maar ik was niet van plan de banden met Groningen door te snijden. Voor 1 gulden bleef ik op de loonlijst van de kerkvoogdij staan. En zo bleef ik ook organist van de Martinikerk.
Tot 1984 heb ik zodoende heen en weer gependeld tussen Den Haag en Groningen. Het was niet mijn prettigste tijd, maar het was de moeite meer dan waard om op de oplevering van het gerestaureerde orgel in Groningen te wachten.”
Het instrument trok wereldwijd de aandacht, herinnert Van Beek zich. „We hebben het in die tijd met veel plezier gedemonstreerd aan organisten en liefhebbers uit vele landen. Het was weer een echt barokorgel geworden, waarop uitstekend Bach kan worden gespeeld. Dit is hét Bachorgel.”
Sindsdien speelt Van Beek meer van zijn Duitse naamgenoot dan ooit. „Het orgel bepaalt de richting die je opgaat. Je moet nooit jouw wil aan het instrument opleggen. Als je het orgel tot zijn recht laat komen, dan geeft dat het mooiste resultaat. Tegelijk blijft Bach het moeilijkste om muzikaal neer te zetten.”
Net als de gemeentezang heeft een muziekstuk een natuurlijk tempo, vindt Van Beek. „Dat moet je aanvoelen. Jonge organisten schroeven het tempo vaak op, maar dan verdwijnt er veel onder tafel. De organist is een verlengstuk van het orgel, niet andersom. In de kerkdienst moet je je dienstbaar opstellen en aanvoelen hoe de gemeentezang in de kerk verloopt. De Martinikerk vraagt om een gedragen tempo.”
Opvolging
Voorlopig is Van Beek nog niet van plan om te stoppen als organist. „Ik ben kritisch op mezelf. Als het niet meer gaat, geef ik dat aan. In januari hoop ik tachtig te worden. Ik besef dat het een groot geschenk is dat ik dit werk mag doen. Over mijn opvolging zou ik graag meepraten. Na meer dan vijftig jaar laat ik wel iets achter. Er zijn veel jonge musici die hier graag aan de slag willen. Maar hebben ze de goede mentaliteit? Ik houd niet van streberige organisten.”
Dit is het laatste deel in een serie over organisten in een grotestadskerk.