Of toch niet? In het felle islamdebat van de laatste jaren doen architecten en architectuurhistorici even hard mee. Hun geluid wordt weinig gehoord, terwijl het debat intens wordt gevoerd. Want hoe je het ook wendt of keert: de ruim 430 moskeeën in Nederland dragen een boodschap uit. Maar welke?
Pompeuze bouwsels
Eerst het makkelijke verhaal. Er zijn twee soorten moskeeën: heimwee- en poldermoskeeën. De eerste zijn vaak pompeuze bouwsels vol oriëntaalse elementen. De laatste passen goed in het Hollandse polderlandschap, zó ver zijn de bezoekers van die moskeeën al in hun integratieproces.
Althans, dat was de redenering van Cihan Bugdaci en Ergün Erkoçu, twee jonge moskeearchitecten van Turkse komaf. Zij hebben de eer te boek te staan als uitvinders van de in architectuurkringen gevleugelde begrippen heimwee- en poldermoskee. „En dan is er ook nog de schuilmoskee”, vult Bugdaci aan. „Daarvan zie je aan de buitenkant haast niet dat het een moskee is.”
Architectuurhistoricus Eric Roose (41), die woensdag aan de Leiden Universiteit promoveert op de architectuur van moskeeën in Nederland, kan helemaal niets met die driedeling. „Geen kwaad woord over Bugdaci en Erkoçu, maar zij hebben die begrippen verzonnen om hun eigen ontwerpen, die van de poldermoskee, beter voor het voetlicht te brengen. Dat gaat het beste wanneer je ontwerpen die in jouw visie verouderd zijn, wegzet als heimweemoskeeën.”
Constructies
Roose is de leverancier van het moeilijke verhaal. De bezoekers van wat een typische heimweemoskee zou zijn, kunnen volgens hem juist heel ver zijn in het proces van integratie. En andersom geldt dat net zo goed. „Neem nu de al-Furqaanmoskee in Eindhoven. Die moskee heeft geen visueel sterke koepels en geen minaretten. Dat zie je vaker binnen de meer puriteinse varianten van de islam, omdat de aanhangers terug willen naar de tijd van de profeet. Toen was er ook nog geen hoofdrol voor koepels en minaretten. Uiterlijk gezien zou je dat soort moskeeën dus modern kunnen noemen, maar in feite zijn dát juist de heimweemoskeeën.”
De begrippen heimwee- en poldermoskee wil Roose dan ook „nooit meer” gebruiken. „Het zijn constructies in het debat waar de werkelijkheid vervolgens aan wordt opgehangen.”
Overigens erkent ook de Turkse architect Bugdaci dat. Hij gebruikt de begrippen tegenwoordig ook niet vaak meer. „Intussen weten we dat er meer speelt. De begrippen zijn achterhaald in die zin dat in een heimweemoskee echt niet per definitie traditionele opvattingen worden gekoesterd.”
Vreemde eend
Desondanks blijft Roose een vreemde eend in de bijt van de architectuurcritici. In zijn proefschrift dat hij woensdag verdedigt, breekt Roose radicaal met de tot nu toe gangbare wijze om moskeeën onder te verdelen in allerlei vermeende stromingen (zie kader).
Hij ontwikkelt in plaats daarvan een nieuwe methode, waarbij hij nadrukkelijk kijkt naar het ontwerpproces. Daaruit blijkt keer op keer dat vordering op de weg van integratie voor de opdrachtgevers helemaal geen item is; het gaat hen er puur om via het moskeeontwerp hun eigenheid te benadrukken. „Die opdrachtgevers zijn bijna altijd religieus begeesterde mensen die een uitgesproken visie hebben ontwikkeld op hun religie. In het ontwerp van de moskee zetten ze zich altijd af tegen concurrerende elementen binnen de islam.”
Dus als de al-Furqaanmoskee afziet van allerlei tierelantijnen, doet ze dat vooral om andere moskeeën erop te wijzen dat het niet gaat om het gebouw, stelt Roose. „En als bijvoorbeeld de Taibahmoskee in Amsterdam allerlei elementen van het graf van haar stichter in het gebouw verwerkt, vertelt ze daarmee andere moskeeën hoe belangrijk die man wel niet was.”
De methode van Roose rekent niet alleen af met de tot nu toe gebruikelijke visie dat er vooruitgang in de ontwerpen zou zitten, maar ook met de veronderstelde cruciale rol van architecten. Niet de ontwerper, maar de opdrachtgever bepaalt, ontdekte Roose. „Dat vinden veel architecten niet leuk. Maar het is overduidelijk dat de opdrachtgevers hun architect heel zorgvuldig selecteren. Het moet iemand zijn die precies aan hun wensen kan voldoen. En gebeurt dat toch niet, dan wordt hij gewoon vervangen.”
Islamisering
Hoewel het aantal moskeeën in Nederland al jaren vrij stabiel is, worden oude moskeeën wel steeds vaker ingeruild voor grote gebouwen die veel meer opvallen in het publieke domein. De islamisering neemt dus toe, is een vaak daaraan verbonden conclusie.
Roose erkent dat veel moskeeën prominenter aanwezig zijn dan eerst. Het is echter een logisch gevolg van de toegenomen organisatiegraad van moslims, denkt hij. „In de jaren zeventig hadden moslims dat soort grote, opvallende moskeeën ook gewoon kunnen bouwen. Toen waren de moslimgemeenschappen echter nog veel versnipperder. Naarmate de organisatiegraad vordert, zie je dat er steeds meer behoefte is om een bepaalde visie op de islam te materialiseren. Mijn stelling is dat je dat ook bij kerken terugziet, ook in de biblebelt. In vervolgonderzoek wil ik die er zeker bij betrekken.”
En of de minaret de kerktoren uiteindelijk zal overtreffen? Roose glimlacht. „Voor de moslims zelf is dat dus helemaal geen relevante vraag. Ze zetten zich helemaal niet af tegen de kerken. Ze zijn alleen met zichzelf bezig.”
Exact hetzelfde gebedshuis, totaal andere waardering
Uiterlijk bleef hij precies dezelfde. De felle snoepwinkelkleuren, de zachte Eftelingvormen: de Mevlanamoskee in Rotterdam onderging de achterliggende jaren niet de geringste wijziging. Maar in de beeldvorming was er geen groter verschil denkbaar en veranderde de moskee van „toonbeeld van integratie” naar „gedrocht van non-integratie.”
De ruim 430 moskeeën in Nederland zien er anno 2009 heel anders uit dan enkele decennia terug. Vaak letterlijk –met grotere minaretten op prominentere plaatsen–, maar minstens even vaak in de hoofden van het publiek. Zo kan zelfs een moskee die precies hetzelfde bleef van een „toonbeeld van integratie” veranderen in een „gedrocht van non-integratie.”
Dat laatste overkwam de Mevlanamoskee, enkele jaren geleden nog uitgeroepen tot mooiste gebouw van Rotterdam. „Daarom is de beeldvorming rond zo’n moskee eigenlijk interessanter dan het gebouw zelf”, vindt dr. Marcel Maussen, die in februari aan de Universiteit van Amsterdam promoveerde op het beleid rond de bouw van moskeeën. Hij betoogt dat de ontwikkeling van de moskeearchitectuur in de hoofden van de mensen een illustratie is geworden van het multiculturele drama, zélfs als de gebouwen in kwestie niet veranderd zijn.
„Van de Mevlanamoskee zei men destijds bij de oplevering dat het een echt Nederlandse moskee was, omdat het Turkse ontwerp met typisch Nederlandse technieken tot stand is gekomen. Twee jaar later heette het opeens heimweearchitectuur en werd de moskee bestempeld als architectonische kitsch.”
Volgens Maussen zijn we in Nederland naar moskeeën gaan kijken alsof ze een lakmoesproef voor de mate van integratie vormen, „en daarom zijn ze dat ook geworden. Maar feitelijk klopt het niet. Het is borrelpraat om voor een gebouw te gaan staan en vervolgens te zeggen wat dat gebouw allemaal zegt over integratie. Ongeacht hoe het gebouw eruitziet, noemen de islamitische gemeenschappen hun gebouwen allemáál goed voor de integratie.”
Het enige voordeel van die „borrelpraat” is dat gemeenten mede daardoor een visie leren ontwikkelen op de architectuur van de moskee, denkt Maussen. „In de jaren negentig hadden welstandscommissies nauwelijks een idee hoe een moskee eruit zou moeten zien. Toen was het toch meer van: Jongens, zoek het maar uit. In dat opzicht heeft de polemiek ons toch wat verder gebracht.”
Terug naar de oermoskee van Mohammed
Een veelgebruikte visie in de moskeearchitectuur is die van geleidelijke verandering en van indeling in stromingen.
In die visie is dé oermoskee de mytische gebedsruimte die de profeet Mohammed liet bouwen in Medina. Die moskee zou een heel eenvoudig bouwsel geweest zijn, met wat overkappingen in de richting van Jeruzalem – wat destijds nog de gebedsrichting was. Toen de verplichte gebedsrichting Mekka werd, moesten de gelovigen omdraaien, zo wil het traditionele verhaal. Aan de andere kant werden dus ook overkappingen gebouwd, waardoor de kenmerkende galerijen een feit waren geworden.
Ook de oorsprong van de minaret kent zo’n verhaal. De eerste muezzin die de moslims opriep tot het gebed, deed dat vanaf een stapel stenen. Die stapel is later slechts wat hoger gemaakt.
In de loop der eeuwen zouden zich uit deze oermoskee allerlei prototypes hebben ontwikkeld die kenmerkend zijn voor verschillende stromingen en regio’s.
Veelgebruikte typeringen zijn vandaag de dag de Mogulmoskee met drie uivormige koepels voor de Hindoestaanse regio –genoemd naar een moslimdynastie in India–, de Ottomaanse moskee met centrale koepel voor Turkije en de Moorse moskee met tentdak voor Marokko.
De achterliggende decennia zouden moslims in het Westen van hun moskeeën vooral nostalgische kopieën van deze prototypes hebben gemaakt, al naar gelang hun herkomst. Naarmate de integratie vorderde, werden die prototypes voorzichtig losgelaten ten gunste van een hybride mengelmoes van allerlei moskeestijlen. En vandaag de dag zou er dan voorzichtig een eigentijdse moskee ontstaan – zeg maar de poldermoskee.
Die indeling is gebaseerd op de gedachte van ontwikkeling: de moskeearchitectuur komt steeds een stapje verder. Aanhangers sluiten zelfs niet uit dat de minaret op die manier vanzelf zou kunnen verdwijnen.