Verlichting
Onder invloed van de verlichting benaderen wetenschappers deze vraag rond 1800 anders, zonder zich daarbij iets van de Bijbel aan te trekken.
Op basis van de afkoelsnelheid van het steenachtige materiaal van de aarde schat de Fransman Georges-Louis Leclerc in 1779 de ouderdom van de aarde op 75.000 jaar.
De Britse geoloog William Smith bedenkt rond 1795 het principe van biostratigrafie: gesteentelagen op verschillende plekken met dezelfde fossielen zijn even oud. Dat uitgangspunt gebruiken wetenschappers tegenwoordig nog steeds om de ouderdom van gesteenten te schatten. Een neef van Smith, John Phillips, schat de ouderdom van de aarde op 500 miljoen jaar. Maar die lange tijd is volgens Charles Darwin tekort om evolutie mogelijk te maken; de aarde moet nog ouder zijn.
Radioactiviteit
Ook de wetenschap gaat verder. Met de ontdekking van radioactiviteit komt het idee de leeftijd van de aarde te bepalen met radiometrische datering: Hoeveel radioactieve stof is omgezet in andere stoffen is een maat voor de leeftijd van de aarde.
De meettechnieken worden verfijnd en de aarde wordt steeds ouder: in 1913 schat de Brit Arthur Holmes dat de aarde 1600 miljoen jaar oud is, in 1947 is dat toegenomen tot 3350 miljoen jaar, en in 1956 wordt het 4550 miljoen jaar.
Tegenwoordig bepalen wetenschappers de leeftijd van de aarde op 4567 miljoen jaar.
Dit is de eerste aflevering in een drieluik over dateringsmethoden.
Dit is het zeventiende deel in een serie over schepping en evolutie.