Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep
  Algemeen

Mensen met autisme verwerken emoties anders

 Maurice Magnée (l.) en Myriam Vandenbroucke promoveren beide op de waarneming van mensen met autisme. Hun onderzoeksleider: „Deze onderzoeken geven aan dat bij autisten het sociale brein niet kapot is. Het mankeert bij deze mensen aan de waarneming an sich.” Foto RD

Maurice Magnée (l.) en Myriam Vandenbroucke promoveren beide op de waarneming van mensen met autisme. Hun onderzoeksleider: „Deze onderzoeken geven aan dat bij autisten het sociale brein niet kapot is. Het mankeert bij deze mensen aan de waarneming an sich.” Foto RD

De stelling dat mensen met autisme niet zijn geïnteresseerd in de emoties en gevoelens van anderen klopt niet. „Dat zij minder goed op emoties van anderen reageren heeft te maken met het feit dat zij de informatie die zij binnenkrijgen anders verwerken”, stelt promovendus Maurice Magnée.
Magnée promoveert 19 juni aan de Universiteit Utrecht op zijn proefschrift over verwerking van emoties door mensen met autisme. Gisteren promoveerde Myriam Vandenbroucke aan dezelfde academie tot doctor in de psychologie op haar dissertatie over de waarneming van mensen met autisme. Beide promovendi deden onderzoek met bijna dezelfde groep van dertig hoogopgeleide jongeren met autisme in de leeftijd van 16 tot en met 28 jaar.

Magnée liet proefpersonen met autisme verschillende gezichten zien die diverse soorten emoties uitdrukken. Het bleek hem dat zij onder de juiste omstandigheden prima emotionele informatie uit gezichten kunnen halen. „Wanneer zij echter moesten letten op twee aandachtspunten, zoals een emotioneel gezicht en een emotionele stem, bleken ze dat minder goed te kunnen. Als ze zich specifiek moesten richten op één taak, ging het wel goed.”

Wel werd duidelijk dat de hersenen van mensen met autisme bij het herkennen van emoties anders werkten dan bij de controlegroep, die bestond uit mensen zonder autisme. „Personen uit de laatste groep lachen vaak een beetje als ze iemand zien lachen, of ze verstrakken als ze een boos iemand zien.”

Magnée ondervond dat mensen met autisme juist veel emotioneler reageren dan mensen zonder autisme. „Ze keken weg van de emotionele gezichten, om die hevige emoties bij zichzelf te voorkomen. Dat bevestigden ze later ook.”

Betere samenwerking
Vandenbroucke ontdekte in haar promotieonderzoek dat de hersengebieden voor het gezichtsvermogen bij mensen met een autistische stoornis beter samenwerken dan tot nu toe werd verondersteld. „Het blijkt dat bij hen de hersencellen zélf niet goed samenwerken.”

Mensen met autisme zien hetzelfde, maar nemen anders waar, omdat hun hersenen anders werken. „Dat compenseren ze echter door gebruikmaking van hun intelligentie. Het compensatiemechanisme zorgt er ook voor dat mensen met autisme details versterkt waarnemen”, aldus Vandenbroucke.

De proefpersonen moesten op een computerscherm abstracte figuren bekijken, terwijl ze aan de eeg- dan wel een MRI-scanapparaat waren verbonden. Via deze methoden worden de hersenactiviteiten gemeten.

De eerste twee keer scoorden de mensen met autisme minder goed dan de proefpersonen zonder deze ontwikkelingsstoornis; ze reageerden trager. Deskundigen noemen dat puzzeltijd. Na de derde keer scoorden mensen met autisme even goed als mensen zonder deze socialevaardigheidsstoornis.

Volgens Vandenbroucke blijkt uit haar onderzoek dat het probleem niet zit in de visuele schors van mensen met autisme. Als dat zo zou zijn, zou dat zeer verstrekkende gevolgen hebben, omdat dat zou betekenen dat er iets mis is in de communicatie tussen hersenen en ogen. Er is nu geen aanleiding om dat te denken.

Hyperactief
De onderzoeken van Magnée en Vandenbroucke schoffelen een aantal theorieën onderuit. Magnée: „De laatste twee jaar deed de theorie opgeld dat de spiegelneuronen, de hersencellen die ervoor zorgen dat mensen zich spiegelen aan anderen, bij autisten defect zouden zijn. Op een congres dat ik vorige week in Londen bezocht bleek dat deze theorie achterhaald is. Sommige autisten hebben zelfs hyperactieve spiegelneuronen. Ook het idee dat de zogenaamde lange hersenbanen bij autisten kapot zouden zijn, lijkt nu weer te verdwijnen.”

Onderzoeksleider prof. dr. Chantal Kemner bevestigt dit. „Deze onderzoeken geven aan dat bij autisten het sociale brein niet kapot is. Ook schort het niet aan interesse in sociale informatie. Het mankeert bij deze mensen aan de waarneming an sich.”

Magnée constateert dat zijn onderzoek een wetenschappelijk geluid uit de jaren ’60 bevestigt, waarin de overemotionele reactie van mensen met autisme al werd geconstateerd. De promovendus hoopt dat hij met zijn onderzoek „voldoende interesse heeft opgewekt voor het verkrijgen van subsidiegelden.” Hij wil daarbij het wetenschappelijk onderzoek koppelen aan de kennis uit onder meer de hulpverlenerspraktijk.

Vandenbroucke gaat het wetenschappelijke circuit verlaten en wil gaan werken bij een bureau dat wetenschappelijk onderzoek naar de jeugdzorg koppelt aan maatschappelijke vraagstukken.

Goede structuur
Wat kunnen hulpverleners en direct betrokkenen bij mensen met autisme met deze gegevens? Magnée bevestigt het gegeven dat mensen met autisme een goede structuur moet worden aangeboden. „Goede instructie of het goed richten van de aandacht van een persoon met autisme verbetert zijn prestaties, zo blijkt uit ons onderzoek.”

Kunnen de resultaten van deze onderzoeken worden gekoppeld aan de pogingen de genetische oorsprong van autisme te achterhalen? Vandenbroucke: „Autisme heeft waarschijnlijk grotendeels een genetische oorzaak. We weten vanuit genetisch onderzoek dat een bepaalde stof in de hersenen aanwezig is die de communicatie tussen de hersencellen stimuleert of afremt. Dit stofje lijkt bij mensen met autisme minder aanwezig te zijn. Misschien dat er een koppeling mogelijk is tussen dit en mijn onderzoek.”

Vandenbroucke: „Mensen met autisme en met voldoende intelligentie kunnen proberen met hun gebrek aan invoelingsvermogen te leren omgaan. Ze willen zich namelijk wel inleven in anderen. Misschien moeten therapieën meer ingaan op het integreren van sociale vaardigheden. Dat lijkt me niet verkeerd.” Lachend: „Een proefpersoon herkende mij na onze derde ontmoeting nog niet. Dat vond ik heel frustrerend.”

Aanvulling 28-5
In het artikel over autisme in RD 23-5 zijn enkele onjuistheden geslopen. Mensen met autisme hebben geen probleem in de ogen of met de verwerking van de informatie voordat die de visuele schors heeft bereikt. Ook heeft promovenda Vandenbroucke niet willen suggereren dat mensen met autisme hun andere manier van waarnemen kunnen compenseren door hun intelligentie. Verder wilde zij niet beweren dat therapieën meer moeten inspelen op het integreren van sociale vaardigheden.


Dossier:
Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels