Een eeuw later schrijft niemand minder dan Christiaan Huygens in zijn boek ”De wereldbeschouwer”: „...dat het niet onredelijk is te stellen dat alle de andere Klooten, zoo wel als de onze, hare cieraden, en misschien ook hare bewoners hebben.”
Tot op de dag van vandaag is er geen enkel bewijs voor leven op Mars. Tegelijkertijd geldt dat er geen planeet is waarvoor het waarschijnlijker is dat er iets leeft: geen mannetjes, maar eencellige organismen bijvoorbeeld.
Zo staat de rode planeet –zo genoemd vanwege het roestige ijzer in de bodem– niet zo heel ver van de zon, maar anderhalf keer zo ver als de aarde. Mars staat daarmee als buitenplaneet –eentje die verder van de zon afstaat dan onze planeet– toch nog heel dicht bij die licht- en warmtebron. Saturnus staat bijvoorbeeld zes keer zo ver weg en Neptunus zelfs dertig keer.
Daar komt bij dat Mars ook in 24 uur om z’n as draait. Een marsetmaal duurt 24 uur en 37 minuten, om precies te zijn. Opnieuw: geen planeet die daarin meer op de aarde lijkt.
Dan is er nog iets: Mars kent seizoenen, want de denkbeeldige as waarom de planeet draait, staat scheef ten opzichte van het denkbeeldig horizontaal vlak waarin Mars om de zon draait. Huygens ziet in de zeventiende eeuw al donkere vlekken op de planeet die in de loop van een jaar in grootte veranderen; dat zou wijzen op vegetatie. Anderen nemen in die tijd al wolken waar, menen ze.
Precies 365 jaar na de brandstapeldood van Bruna staat echter vast dat Mars dor, doods en kaal is. Dat blijkt uit de 21 opnamen die de Amerikaanse planeetverkenner Mariner 4 in juli 1965 naar de aarde stuurt.
Tussen 1965 en 2007 gaan een kleine veertig satellieten op weg naar de buurplaneet. Namen als Mariner, Viking en Phobos, allemaal halen ze de krant en het journaal. Toegegeven: daar zitten pechmissies tussen. Zo scheert er wel eens een satelliet zijn bestemming voorbij, van een andere begeeft de motor het en weer een andere slaat op zijn doel te pletter.
De Amerikaanse ruimtevaartorganisatie NASA pronkt graag met de Mars Reconnaissance Orbiter, die nu aan het werk is. Die satelliet heeft volgens NASA meer gegevens over de planeet opgeleverd dan alle voorgaande missies samen. Wat de hogeresolutiecamera alleen al presteert, is te zien op de site van de ruimtevaartorganisatie: ruim 600 messcherpe foto’s waar een uitgever graag een kalender van maakt. Ze vormen echter maar een kleine selectie; de camera levert tienduizenden beelden per maand.
Conclusie na bijna veertig missies naar Mars: er is water op de planeet, maar leven, dat is nergens aangetoond. Dat neemt niet weg dat er verder nog genoeg interessante kanten aan de planeet zitten. Neem de zogenaamde kanalen, die er zouden voorkomen, maar slechts zijn ontstaan door een vertaalfout.
De Italiaanse astronoom Schiaparelli (1835-1910) ontdekt lange rechte donkere lijnen en noemt ze canali; Italiaans voor zeestraten. Amerikanen vertalen dat slordig in ”canals” en dat leidt dan bij anderen weer tot de overtuiging dat er een heel irrigatienetwerk zou liggen.
De werkelijkheid is dat op de planeet een gemiddelde oppervlaktetemperatuur heerst van zeker 30 graden Celsius onder 0 en dat de luchtdruk nog geen 10 millibar bedraagt; omstandigheden die bloeiende agrarische activiteiten uitsluiten.
Dat reliëf is verder wel een interessant aspect. Mars is met een diameter van 53 procent van die van de aarde aanzienlijk kleiner dan onze planeet, maar heeft wel slenken en ravijnen zo groot als de Amerikaanse Grand Canyon.
Hoogste berg
In de hoogte geldt hetzelfde. De Olympus Mons is met een basis van 600 kilometer doorsnee en een hoogte van 25 kilometer de grootste vulkaan op Mars en in ons zonnestelsel. Dat is drie keer hoger dan ’s werelds hoogste berg, de Mount Everest, die 8848 meter telt.
Mars mag dan kleiner zijn dan de aarde; de planeet heeft wel twee keer zo veel manen, al zijn het dan kleintjes. Phobos (angst) meet 27 kilometer in doorsnee en Deimos (vrees) heeft een diameter van slechts 15 kilometer. Hun namen zijn die van de kameraden van Ares, de Griekse oorlogsgod. Mars is zijn Romeinse evenknie, vandaar. Phobos en Deimos zijn in geen enkel opzicht vergelijkbaar met de aardse maan; het zijn waarschijnlijk min of meer verdwaalde asteroïden die ooit zijn ingevangen door de planeet.
Met een kortste afstand van 56 miljoen kilometer tot de aarde staat Mars met stip op één om ooit met een bemande ruimtevlucht aan te doen. De VS, Europa, Rusland, alle drie hebben ze plannen voor zo’n trip, ook al duurt de reis uit en thuis zeker 500 dagen. Vooral daarom zijn het nog steeds en zeker ook voorlopig plannen.
6.787 km
3,94 g/cm3
1,88089 jaren
24,6 uur
227,94 miljoen km
24,1 km/sec
2
0,1075
0,15