Op driejarige leeftijd speelt hij in de werkplaats van zijn vader, die als zadelmaker tuigen, beugels, riemen en uiteraard zadels voor paarden vervaardigt. Het ondernemende kereltje heeft hem vaak genoeg bezig gezien met het gereedschap en wil het zelf ook wel eens proberen. De priem die de jongen in handen heeft, schiet echter uit en het voorwerp doorboort zijn oog. Al snel ontwikkelt zich een ontsteking die bovendien overgaat op zijn andere oog. Hij raakt hierdoor volledig blind.
Ondanks zijn zware handicap, gaat Louis twee jaar lang naar de basisschool in het dorp omdat zijn ouders wel in de gaten hebben dat hij intelligent is. Ze willen dat hij zich zo goed als mogelijk zal ontwikkelen. Maar al snel wordt duidelijk dat zijn kansen om te leren beperkt zijn doordat hij niet kan lezen en schrijven. Zonder opleiding ligt het voor de hand dat hij, zoals zo veel gehandicapten in die tijd, zal moeten gaan bedelen om in zijn levensonderhoud te voorzien.
Als Louis tien jaar oud is, kan hij echter met een studiebeurs naar het Koninklijk Instituut voor Jonge Blinden in Parijs. De blindenschool is in die tijd nog een van de weinige in zijn soort. De leerlingen leren er vooral praktische vaardigheden, zoals meubels stofferen of pantoffels maken, zodat ze na hun opleiding zelf geld kunnen verdienen. Louis blinkt uit als musicus en hij zal lange tijd organist zijn in verschillende Parijse parochies.
Op het instituut leren de jongens lezen met behulp van Romeinse letters in reliëf, een weinig doeltreffende methode die ontworpen was door Valentin Haüy, grondlegger van de blindenschool. De letters van het Romeinse schrift zijn moeilijk op de tast te herkennen en dat zorgt ervoor dat het spellen van de woorden erg traag verloopt. Schrijven is al helemaal uitgesloten.
De man die uiteindelijk met de basistechniek voor het brailleschrift op de proppen komt, is een Franse legerkapitein. Charles Barbier brengt in 1821 een bezoek aan de blindenschool en demonstreert dan een methode die hij ontwikkelde voor de manschappen. De ”sonografiecode” bestaat uit twaalf punten die in verschillende combinaties voor diverse klanken staan. Soldaten konden hiermee ’s nachts in de loopgraven boodschappen overbrengen zonder te spreken en dus ook zonder afgeluisterd te worden. Al snel blijkt echter dat het systeem te lastig is voor de militairen en het leger wijst het van de hand.
De jonge Braille realiseert zich echter dat het puntensysteem bruikbaar is voor blinden, maar dan wel in een vereenvoudigde vorm. De afzonderlijke punten zijn in ieder geval veel beter af te tasten dan de Romeinse reliëfletters. Ook zijn ze schrijfbaar.
Een belangrijk nadeel van Barbiers methode is dat zijn schrift fonetisch is: gebaseerd op klank en niet op afzonderlijke letters. Bovendien zijn twaalf puntjes te veel om met één aanraking van de vingertop te voelen. Na wat experimenteren stelt Braille vast dat een systeem met zes punten -in twee kolommen van drie hoog- het beste werkt.
Op 15-jarige leeftijd toont hij de directeur van het instituut de eerste versie van zijn blindschrift. In de jaren daarop werkt hij aan aparte coderingen voor wiskunde en muziek. In 1829 verschijnt het eerste boek van Louis Braille over de methode en het gebruik ervan. In 1837 legt hij in een tweede uitgave de definitieve versie van het alfabet vast.
Braille wordt uiteindelijk een geliefde en gewaardeerde docent op het blindeninstituut, maar desondanks wordt zijn systeem tijdens zijn leven nog niet breed ingevoerd. Pas na zijn dood -hij overlijdt op 43-jarige leeftijd aan tuberculose- gaan mensen het nut ervan inzien. Vandaag de dag is braille in vrijwel elke taal, van Albanees tot Zulu, het standaardschrift waarmee blinden en slechtzienden lezen én schrijven.
Naam: Louis Braille
Geboortedatum: 4 januari 1809
Sterfdatum: 6 januari 1852
Nationaliteit: Frans
Vernoeming: Brailleschrift