Om er te komen is een autotocht van twaalf uur nodig, waarvan de helft gaat over allerbelabberdste stukken weg, over krakkemikkige bruggetjes en via tal van haarspeldbochten die je bij iedere zwaai de bloedstollende diepte van het ernaast gelegen ravijn laten peilen. Na zonsondergang verandert de omringende jungle in een dreigend gitzwart decor. Maar honderden vuurvliegjes vegen de vloer aan met die grimmige sprake van de nacht. De dansende knipperlampjes zorgen zelfs voor afleiding op het moment dat Mogati bijna op de tast een lekke band moet vervangen. Maar hem breng je zomaar niet van zijn stuk. Zelfs toen hij ’s nachts van pure vermoeidheid zijn hoofd op het stuur liet rusten, bleef het gaspedaal ingedrukt en de teller op 60 à 70 kilometer per uur...
Maar het is vooral Mogati’s ontwapende glimlach die me lang bij zal blijven. Alleen was die er niet toen we bij zijn huisje in het dorp Mambi arriveerden. Drie jaar geleden waren hij en zijn vrouw daaruit gejaagd, waarna de boel er kort en klein werd geslagen. Als straathonden zijn de twee vervolgens het dorp uit gedreven, net als tientallen andere christenfamilies uit Mambi.
Vele jaren lang was het nooit een probleem geweest dat christenen te midden van moslims woonden, maar bijna drie jaar geleden werd dat ineens allemaal anders en sloeg die tolerante sfeer om in een klimaat van zinderende haat. In korte tijd werd het dorp ontdaan van alle christenen, werden huizen in brand gestoken en zijn zelfs diverse mensen vermoord.
Scholieres onthoofd
Mogati heeft met zijn vrouw onderdak gevonden bij geloofsgenoten in het dorp Mamasa - op enkele uren rijden van Mambi. Nu keert hij voor het eerst terug naar zijn oude woonplek. We gaan met hem mee op het moment dat via de radio de naam ”Poso” is gevallen. Deze stad in Centraal-Sulawesi -gelegen ten noordoosten van Mamasa- is al jarenlang het grote schrikbeeld voor gematigde christenen en moslims, omdat daar het religieus geweld volledig is geëscaleerd tot verschrikkelijke moordpartijen.
Zaterdagochtend 29 oktober was het opnieuw raak: drie christenmeisjes die op weg naar school waren, werden er onthoofd door radicale moslims. De hoofden werden later in plastic zakken teruggevonden, met daarbij een briefje dat „nog zeker honderd andere christentieners” hetzelfde lot zouden ondergaan.
Even buiten het dorp houden we halt bij een wachtpost van de Brimob, de beruchte mobiele brigade van de politie. Alleen al vanwege hun uitstraling -geheel in het zwart gekleed, zwaarbewapend en rijdend op zwarte motoren- zijn ze alom gevreesd. Op enkele kaarten aan de wand van hun kantoor wordt precies bijgehouden waar en wanneer de gewelddadigheden plaatsvonden, wie de daders waren, en wie de slachtoffers. Onder het kopje ”gezocht” volgt bij ieder dorp waar het mis ging een rij namen van verdachten. Wat opvalt is dat het lang niet allemaal typisch islamitische namen zijn, maar ook echte christelijke namen: Petrus, Johannes. Ook christenen hebben zich kennelijk zwaar misdragen. En wat eigenlijk even onbestaanbaar zou moeten zijn als bijvoorbeeld je afdrogen met water bleek wel degelijk te bestaan: dat moslims bang zijn geworden voor christenen!
Mambi staat in de overzichten van de Brimob-jongens diverse keren vermeld als conflicthaard, tot en met eind vorig jaar. Bij slachtoffers staat een rij van tientallen doden en gewonden. Bloedig geweld in het naburige Rano is gedateerd op april 2005. Onder de doden die er vielen wordt zelfs een baby van een jaar oud genoemd.
Lange messen
Beladen met díé voorkennis rijden we Mambi binnen. Dat gaat trouwens niet zomaar, want vanwege de aanhoudende spanningen is toestemming van de plaatselijke politie nodig. Daarna rijden we behoedzaam door de straten van het dorp. De rit voelt alsof we door sluipschutters beschoten kunnen worden of alsof een horde militante moslims klaar staat ons te bestormen. „Poso is daar dichterbij dan je denkt”, is de overtuiging van christenen die uit Mambi zijn gevlucht. In het verderop gelegen Rantepalado zitten ze in een lokaal van de plaatselijke school bij elkaar: zo’n tachtig families -in totaal een kleine 300 mensen- die niet meer naar hun huizen in Mambi terug durven te gaan. Een van hen, een man van halverwege de zestig, vertelt hoe hij om vijf uur ’s middags door vijf mannen met lange messen zijn huis uit werd gejaagd. „Waarom bén je hier nog?” riepen ze. „Maak dat je weg komt.”
Een vrouwelijke leeftijdgenoot -ze was onderwijzeres in Mambi- weet zeker dat al-Qaida-strijders betrokken zijn bij de jacht op christenen. „Voordat het hier tot een uitbarsting kwam vertelden mijn moslimburen dat ze radicale moslims hadden gesignaleerd in de plaatselijke moskee.” Voor haar staat het daarom vast dat islamitische strijders uit Poso proberen de zaak hier te laten escaleren. Ze vertelt dat in het verderop gelegen dorp Rano, waar dit voorjaar nog bloedige confrontaties waren, de politie zelf heeft bevestigd dat er radicale moslims uit Poso bij betrokken waren. Ook deze vrouw werd gesommeerd het dorp te verlaten, met achterlating van haar spullen. „Enkele uren eerder waren er overal flyers rondgestrooid waarop dat bevel was geschreven.” Ze vertelt dat een gemeentelid de flyers kennelijk niet heeft gelezen omdat hij zich in zijn huis had opgesloten. „We hebben geen idee waar hij is, maar we vrezen het ergste.”
Verzoening
Aan teruggaan denkt niemand nog. „Ze dulden daar geen christenen meer”, zegt de onderwijzeres. „Mijn moslimburen hebben me gevraagd terug te keren, maar zolang niet iedereen terugkeert, ga ik niet.” Een ander wijst erop dat „de daders” niet zijn gepakt en daarom voelen ze zich daar nog „absoluut niet” veilig. „Eerst moet het recht zijn loop hebben”, vindt hij.
Maar Mogati, die daarnet nog heeft staan treuren bij de resten van zijn huis, ging wel terug, al is het maar voor even. En wat zien we hem genieten! Zodra we oude bekenden passeren veert hij op en groet hij hen uitbundig en met een brede glimlach. Stoppen en uitstappen is er niet bij, had hij ons duidelijk gemaakt, maar op het moment dat hijzelf enkele vrienden in het vizier krijgt, is die regel kennelijk even vergeten. Pardoes stapt hij uit om handen te schudden om vervolgens weer snel in te stappen en gas te geven. Welke rol hebben ze gespeeld op het moment dat Mogati’s huis werd gesloopt? denk ik terwijl we verder rijden. „Het recht moet eerst zijn loop hebben”, zei de man in Rantepalado. En Mogati zal het vast met hen eens zijn. Maar hij heeft zelf alvast een grote stap vooruit genomen. Hij was die middag bezig met een stukje verzoening.
Een mooier getuigenis van een christen is ondenkbaar. Een wezenlijker bijdrage aan een verscheurde samenleving evenmin.