Tenzij je natuurlijk de Arno oversteekt en naar het Piazzale Michelangelo wandelt, vanwaar je een prachtig uitzicht over de stad hebt. De rode daken met de oprijzende koepels en torens, tegen de achtergrond van de groene heuvels van Toscane. De ontelbare scooters die langs de rivier rijden; het heeft alles de sfeer van Italië, de belofte van cultuur - de lucht is er zwanger van het verleden. De marmeren kopie van ”de David” kijkt met je mee over de stad. Voor het originele beeldhouwwerk van Michelangelo moeten we terug naar het centrum, naar de Galleria dell’Accademia. Of we moeten genoegen nemen met een andere kopie op het Piazza della Signoria.
Foto’s maken is ook om een andere reden lastig. Een flink deel van de wereldbevolking heeft eveneens besloten om Florence in deze juliweek te bezoeken. Voor de verschillende musea staan enorme rijen gretig wachtenden. Niet de kassa’s zorgen voor oponthoud, maar de beveiligingsmensen. Florence is zuinig op z’n spulletjes. Nergens ter wereld is zo veel monumentale kunst bewaard gebleven op zo’n klein oppervlak. Grote meesters zoals Michelangelo, Leonardo da Vinci, Rafaël, Giotto, Botticelli, en niet het minst Fra Angelico, hebben zich er ingezet om het de kerk en de Medici’s naar de zin te maken.
Want in Florence gebeurde het. Geld was er in overvloed, de wil om kunst te kopen was er niet minder. Het wakkerde de concurrentie tussen de kunstenaars aan. Ze goten oude wijn in nieuwe zakken, klassieke kunst kreeg nieuwe vormen, steeds verder geperfectioneerd. Da Vinci gaf bijvoorbeeld het menselijk lichaam zijn gulden snede, Rafaël schilderde het perfecte lichaam. Eerst een geraamte; als dit perfect was, overtrok hij het met spieren, huid en kleding. Elke houding was onnatuurlijk natuurlijk. Fra Angelico wist emotie, en nog meer devotie in de gezichtsuitdrukkingen te leggen. De bouwkunst bereikte onder aanvoering van Giotto zijn hoogtepunt. En elke rijke familie verbond zijn naam aan diverse beroemde gebouwen.
Tegenslag
De Florentijn denkt heel ordelijk; in perioden. De geschiedenis speelt zich vóór of na de pest (1522) af, vóór of na de boetgezant Savonarola, vóór of na de vloed van de Arno in 1966 en vóór of na de bom, die in 2003 in de binnenstad ontplofte. Als het over die explosie gaat, glimlacht Marco Secci opnieuw. Dat deed de maffia, zei de Italiaanse overheid. Dat deed Florence, zegt de Florentijn. Want nooit eerder kwam er zo gemakkelijk geld uit Rome, om een hele buurt te restaureren.
De kunst verschijnt als de oorlog verdwijnt. Dat geldt zeker het Italiaanse Toscane in de veertiende eeuw. De Duitse macht neemt af, de onderlinge twisten tussen vorstendommen en stadstaten als Milaan, Savoye, Verona, Napels, Genua en Florence worden bijgelegd. Als dan ook de vetes, de afgunst en de concurrentie tussen de invloedrijke families in Florence tot rust komen, bloeit de economie op. Tegenslagen blijven de stad niet bespaard; de pest vaagt een derde van de bevolking weg, onder wie beroemde kunstenaars als Pietro en Ambrogio Lorenzetti. Een sprinkhanenplaag vernietigt de Europese oogsten, ook die van Toscane. Het duurt alles bij elkaar ruim honderd jaar voordat Florence weer wat opkrabbelt. De stoffenhandel brengt dan nieuwe welvaart en ook de vraag naar kunst neemt weer toe.
Terugkeer
Florence prikkelt de fantasie. Het is de stad waar de geest van Dante door de steegjes sluipt, waar de middeleeuwse lucht nog bijna tastbaar hangt. De stad waar Ghiberti en Brunelleschi samen strijden wie de deuren van het Baptisterium mag maken. Ghiberti wint en zijn ontwerp onderscheidt zich zo van de kunst uit die tijd dat de deuren worden beschouwd als de eerste producten van de renaissance.
Florence is de stad waar vriendjespolitiek en corruptie het verschil tussen rijk en arm in stand houden, waar de kerk de macht moet delen met de elite; vorsten en koopmannen. Waar het stadsbestuur dagelijks bij het binnengaan van het Pallazo Vecchio buigt onder de letters JHS: Christus is Koning. Maar waar het kruis uiteindelijk ingekapseld wordt in de kunst. Waar Savonarola de boeteprediker een last voor de kerk is en zijn hoofd verliest, omdat kerk en wereld elkaar in een klemmende worggreep houden.
Florence, de stad waar je dagen kunt ronddwalen en steeds het gevoel houdt nog niet alles gezien te hebben. Een gevoel dat je onwillekeurig naar de markt op de Mercato Nuove drijft. Niet voor inkopen, wel voor het bronzen zwijn dat daar staat. Het is een kopie van een kopie van een beeld van Tacca. Het verhaal gaat dat wie over de snuit van het dier wrijft, zeker in Florence zal terugkeren.
Meer informatie: 020-6168246 en www.italiaansverkeersburau.nl, www.aboutflorence.com.
Lessen voor Florence
Les 1: Zorg in Florence voor een goede gids, tenzij je doelgericht met een kaart in je hand ergens op af wilt gaan.
Les 2: Probeer niet alles te zien binnen een week, dat lukt toch niet. Maak duidelijke keuzes.
Les 3: Laat je het hoofd niet op hol brengen. Je hoeft niet alles mooi te vinden.
Les 4: Wie voor een dubbeltje op de eerste rang wil zitten, moet niet naar Florence. De stad is niet goedkoop en de Italiaan doet zijn best het nog iets erger te maken.
Warmte en hartstocht
Simone Taddei (45) verwerkt liever geen gouden randjes op zijn leren dozen, fotolijsten en bureaubladen. „Die bladgouden versieringen worden nogal eens gebruikt om oneffenheden weg te werken. Een perfect juwelenkistje behoeft goud aan de binnenkant, niet aan de buitenkant.” Taddei levert alleen het allerbeste. Machines gebruikt hij niet, dan alleen om zijn messen te slijpen. Elk juwelendoosje gaat in 20 productiedagen minstens 32 keer door zijn handen, grotere modellen hebben 45 dagen nodig voordat ze in de kleine etalage terechtkomen. Als het zover komt tenminste, want Taddei werkt grotendeels op bestelling. „Het probleem is niet mijn producten te verkopen, het probleem is ze te maken. Dat vraagt gewoon tijd. Maar mijn klanten zijn bereid desnoods negen maanden te wachten.”
Taddei’s creaties zijn internationaal gewild. De meeste gaan naar de VS, daarna volgen Engeland, Japan en Nederland. Het zijn vooral de liefhebbers die er wat voor over hebben; die beseffen met hoeveel warmte en hartstocht zo’n product is gemaakt. De prijs vindt Taddei minder belangrijk, hij zal nooit rijk worden. „Ik had twaalf tot veertien jaar nodig om het vak onder de knie te krijgen, ik gebruik alleen de allerbeste leersoorten, zelf uitgezocht bij Toscaanse leerlooierijen. Hoe bereken ik dan nog een prijs?”
Simone Taddei, Via Santa Margherita 11, Florence.
Zijn handen beven nog niet
Paolo Nerdi (73) hoopt dit jaar zijn jubileum te vieren. Het is zestig jaar geleden dat hij in de zaak van zijn vader stapte. Wat weggestopt in een palazzo, aan de voet van de Ponte Vecchio, zit de kleine werkplaats waar hij zijn beroep als goudsmid uitoefent. Straks zal Luca Ciaccheri de zaak overnemen, maar Daniela, Nerdi’s schoondochter, blijft verantwoordelijk voor de ontwerpen. Voor meer mensen is er geen ruimte in de werkplaats.
Nerdi werkt vooral op bestelling. Mensen komen met hun edelstenen, Daniela maakt een ontwerp en Nerdi gaat aan het werk. Hij beheerst alle methoden en alle stijlen. Musea doen zelden tevergeefs een beroep op hem. Waar het gaat om restauratie van beschadigde juwelen is Nerdi een begrip, vooral bij het ciseleerwerk van goud of zilver. Met vaste hand zaagt hij de kleinste vormpjes uit en tovert prachtig snijwerk tevoorschijn. Zijn vingers vertonen de sporen van zestig jaar priegelwerk, maar zijn handen beven nog niet. Nerdi lacht zelfverzekerd, weet dat hij nauwelijks verbeterd kan worden.
Zijn klanten? Nerdi grijpt een multomap uit de kast. Na enig bladeren komt hij bij de foto van de actrice Elizabeth Taylor, zijn beroemdste opdrachtgeefster. Zelfs het betaalbewijs heeft hij gekopieerd, alleen de prijs heeft hij bescheiden weggewerkt.
Paolo Nerdi, Vicolo Marzia 2, Florence.
Schilderijlijst is geen bijzaak
Het liefst werkt Marco Ranfagni in hout. De versieringen kunnen niet ingewikkeld genoeg zijn. Lijsten ter grootte van een euro, bestemd voor miniaturen, hebben zijn voorkeur. De restauratie van monumentale, zwaar gedecoreerde omlijstingen van pompeuze schilderijen restaureert hij ook, maar met iets minder genoegen. De werkplaats aan de Via Dell’Anquillara was ook de leerschool van Ranfagni. Zijn vader –die het handwerk weer van zíjn vader leerde– nam hem tien jaar geleden op in de zaak. Na diens overlijden enkele jaren geleden staat Ranfagni er alleen voor. Het vertrouwen van de klanten is gebleven. Hij krijgt opdrachten van de grote Florentijnse musea: Uffizi, palazzo Pitti, Pazatina, museo Alegandi en de Ante Modellina.
Het ijzeren slot van zijn deur is een bezienswaardigheid op zich. Vervolgens moet je je om de deur heenkrullen, om binnen te komen zonder schade aan te richten. De schilderijlijsten staan schots en scheef opgestapeld. Maar zijn klanten weten de juweeltjes ertussen wel te vinden. Want een lijst is geen bijkomende zaak, zegt Ranfagni. „Elke schilder kiest zelf met zorg zijn lijst. Een originele lijst kan dus veel vertellen over de schilder en over de stijl van diens tijd. Een schilderij ontdoen van de originele lijst en voorzien van een eigentijdse? Daar moet je dan wel een gegronde reden voor hebben.”
Marco Ranfagni, Via Dell’Anquillara, Florence.
Toscaanse delicatessen
Marta en haar winkel zijn één. Het gladgestreken schort, de witte muts waaromheen het zwarte haar krult, haar blozende wangen, haar geboende handen; het straalt alles properheid en orde uit. Marta’s delicatessen gaan niet overstuur, in haar winkel is alles vers of goed geconserveerd. De flessen Toscaanse olijfolie staan stijf in het gelid, het aantal varianten is ontelbaar. Dit vloeibare goud is in de Toscaanse keuken een basisgerecht. Een crostini (sneetje geroosterd brood) met simpel olijfolie is al lekkernij, maar belegd met salami, geitenkaas, kippenlever of ham van wild zwijn (natuurlijk op Toscaanse wijze bereid) doet je het water in de mond lopen. Bonen en deegwaren, kastanjes, paddenstoelen, amandelen en honing; verwerkt in beroemde Toscaanse recepten wordt het alles weggespoeld met chiantiwijnen. Vraag Marta en ze vertelt je hoe de ”porcini” (boleet) geplukt wordt en de ”tartufo” (truffel) met speciale snuffelhonden bejaagd wordt. Eén ding weet ze zogenaamd niet: waar de lekkerste paddenstoelen worden gevonden…
En vergeet niet bij Marta gelijk wat ”cantucci” (amandelkoekjes) mee te nemen. Niet onderweg alvast iets proeven, want je komt gegarandeerd met een lege zak thuis.
Marta & Massimo, Via Degli Alfani 91, Florence.