Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep
  Algemeen

Koppen met karakter

 Adrie en Alfons Kennis.
 1 van 3  

Adrie en Alfons Kennis.

De Arnhemse tweeling Adrie en Alfons Kennis is op weg wereldberoemd te worden. Hun tekeningen en reconstructies van apen en mensachtigen hebben al meerdere malen het tijdschrift National Geographic gehaald. Ook buitenlandse musea weten de broers inmiddels te vinden.
Nadat ze in 2000 een Nederlands kinderboek van illustraties met prehistorische dieren hebben voorzien, toont de National Geographic Society interesse in hun artistieke kwaliteiten, en plaatst in 2005 een reconstructie van de Floresmens van de gebroeders op de omslag van National Geographic Magazine (NGM).

Twee jaar eerder weet het duo al een Amerikaanse prijs in te wacht te slepen voor een tekening in hetzelfde tijdschrift.

Dat in het Darwinjaar 2009 ook deze krant in hun werk geïnteresseerd is, wekt in eerste instantie verbazing. „Nee maar, dat is een grap.” De kunstwerken van de Arnhemse tweeling zijn immers bijna alle bedoeld om de evolutietheorie een gezicht te geven.

Niet alledaags

De inrichting van Adrie Kennis’ maisonnettewoning is niet alledaags. De nagemaakte kop van de befaamde ”notenkrakerman” kijkt ietwat verdwaasd naar de benen van de bezoeker. Tegen een tussenmuur in de woonkamer staat een immense kast, van onder tot boven gevuld met afgietsels van schedels van ‘menselijke voorouders’, sommige echt, andere nagemaakt. „Ze staan allemaal op leeftijd, de oudste van 3 miljoen jaar geleden onderin, de meest recente bovenin.”

Het ene na het andere exemplaar pakt Adrie enthousiast op. „Kijk, van deze zijn er maar enkele op de hele wereld. En deze, dat is een echte Homo sapiens. Alleen bezit hij de wenkbrauwbogen die H. erectus ook heeft.” Een neanderthalerschedel komt eveneens aan de beurt. „Hier zie je dat die een tamelijk plat voorhoofd heeft. Zijn gezicht steekt ook wat naar voren.”

Uit een krat diept de Arnhemmer een reconstructie van het hoofd van de Floresmens op. „Moet je kijken hoe klein.” Met zijn handen geeft Adrie aan hoe groot de dwergmens geweest moet zijn: niet meer dan 1 meter lang. „Verdwergen kan binnen 5000 jaar, heb ik ergens gelezen.”

Alfons komt wat later en heeft koffie bij zich. Hij beschikt over eenzelfde gedrevenheid als zijn broer. „Meave Leakey vond onze reconstructie van een Australopithecusbaby te gek.”

De topstukken schudt het duo niet zomaar uit de mouw. Ze besteden veel tijd in het bijhouden van de literatuur. Alfons: „Ik heb alle Nature-artikelen tot zeker 2006 gelezen. Maar daar word je een beetje simpel van. De een beweert dit en de ander dat. Bovendien is het lastig dat ze elkaar soms tegenspreken.”

Hamburgerfabriek

De broers maken geregeld reconstructies van koppen van aapmensen. Voor mensachtige hoofden gebruiken ze de methode van Richard Neave van de universiteit van Manchester, bij wie de Britse ‘medisch kunstenaar’ Caroline Wilkinson in 2001 het hoofd van het meisje van Nulde reconstrueerde. „Op basis van de schedelstructuur kleden we het gezicht aan met spieren en een huid. Voor dertig referentiepunten berekenen we de dikte van die laag met de formule van Wilkinson”, legt Adrie uit.

Om aapachtige koppen realistisch te kunnen nabootsen, maakte het tweetal eerst een afgietsel van de gedeeltelijk ontlede kop van een dierentuinchimpansee. „Dat was een bloederig zootje. Het leek wel een hamburgerfabriek”, lacht Alfons.

Het verschil tussen de schedels van een mens- of een aapachtige kan naar zijn mening zelfs een leek niet ontgaan. „Je kunt het zien aan de aanzet van het neustussenschot. Een aap mist dat.”

Het lastigste van een reconstructie is het meegeven van een aantrekkelijk karakter, een sympathieke uitstraling. „Het is echt wikken en wegen met spieren.”

Waar de tweeling ook rekening mee houdt, is de omgeving waarin de aap- of mensachtige heeft geleefd. „In een klimaat met koele winters en hete zomers hebben mensen een blanke huid; bij een buitenmens zoals een neanderthaler is die vaak gebronsd. Afrikanen hebben een donker pigment, bosdieren zijn vaak zwart. Het irritante is dat je overal uitzonderingen op hebt.”

De kunstenaars geven grif toe soms tegen de grenzen van de wetenschap op te lopen. „Je kunt zeggen dat spieren, huid, schedel en de methode van Wilkinson tot het terrein van de wetenschap behoren. Op kraakbeen, vetstructuur en het karakter laten we onze fantasie los. Maar zelfs dat is een vorm van”educational guessing” (wetenschappelijk gissen, BvdD), op basis van de beschikbare kennis.”

Pratend over hun jongste wapenfeit –de reconstructie van de neanderthalervrouw voor NGM eind 2008– beginnen beider ogen te glimmen. „Ze heeft zo’n leuke kop. Haar gezicht is anders dan dat van ons, met nogal platte jukbogen”, grijnst Adrie.

John de Vos, conservator bij Naturalis in Leiden, vroeg waarom de broers deze neanderthaler niet helemaal behaard hadden gemaakt. „Volgens de meest gangbare theorie hadden die mensen niet zo veel haar”, weet Alfons. „Mensen verschillen van andere zoogdieren, omdat ze kunnen zweten. Ze hadden daarom geen overdadige beharing nodig.”

Kaak zonder kin

De tweelingbroers zijn er stellig van overtuigd dat ze met hun reconstructies meestal niet ver naast de werkelijkheid zitten. „Bepaalde wetenschappers willen hun bewijs bewijzen en hun eigen wetenschap staven. Ze sturen ons hun materiaal, bijvoorbeeld bepaalde schedelfragmenten. Als wij later echter het complete beeld zien, blijkt de werkelijkheid er ineens heel anders uit te zien.”

Adrie geeft als voorbeeld hun ervaring met een antropoloog uit Zuid-Afrika. „Zijn naam noem ik liever niet. De man wilde zijn theorie bewijzen, waarin hij verdedigde dat een eilandbewoner kan teruggaan in de evolutielijn. Hij stuurde ons foto’s van een onderkaak zonder kin, een kenmerk van een primitieve mensachtige. Toen we andere foto’s onder ogen kregen, bleek een stuk van de kin afgebroken. Dat was op zijn foto’s niet zichtbaar.”

Alfons vult aan: „Om die reden benutten we elementen van allerlei wetenschappers. Hoe interpreteer je immers bewijs? Elke wetenschapper doet dat op zijn eigen manier.”

Foutieve wetenschappelijke interpretaties, zoals bij de Nebraskamens (zie kader), kunnen paleokunstenaars op het verkeerde been zetten, beaamt Adrie. „Opzettelijke fraude is nooit te voorkomen. Verkeerde reconstructies van zwaarbeschadigde schedels zijn echter nog steeds mogelijk.” Hij noemt als voorbeeld schedel KMN-1470, een H. habilis, die door aardlagen ernstig was vervormd. Bij de eerste schedel­reconstructie hadden wetenschappers het gezicht te veel naar achteren geplaatst. „De schedel leek daardoor te menselijk.”

De informatie die ze van wetenschappers krijgen, soms spontaan, vaak op verzoek, ervaren beiden als waardevol. „We hadden onlangs een schedel met een vergevorderde kaakontsteking. Dan vragen we een kaakchirurg om foto’s van mensen die daar ook last van hadden.

Het gebeurt ook dat we het gruwelijk oneens zijn met een wetenschapper. Hij weet alles van botten, wij veel meer van de aankleding. In dat geval kan onze gereconstrueerde kop er wel eens totaal anders uitzien dan de onderzoeker voor ogen had.”

Adrie herinnert zich een opmerkelijk voorval. „Op basis van een H. sapiensschedel construeerden wij een kop met grote wenkbrauwbogen, anatomisch helemaal correct. Toen de wetenschappers het resultaat zagen, schrokken ze zich een hoedje; ze geloofden niet dat ze naar een moderne H. sapiens zaten de kijken.”

Koppen op zuilen

De broers zijn momenteel bezig met een nieuwe ‘parade’ van vermeende voorouders van de hedendaagse mens. Een opdracht van het Naturmuseum Senckenberg in Frankfurt. Alfons: „Op basis van afgietsels van de echte schedels maken we levensechte natuurgetrouwe reconstructies, echter zonder kleur of beharing. De vrijwel onmerkbare overgang van de ene naar de andere schedel is een heel goed middel om de evolutie van de mens inzichtelijk te maken.”

Adrie knikt instemmend. „Eigenlijk is het geen parade, maar een mozaïek van 25 koppen op losse zuilen met een verklarende tekst. De museumbezoekers kunnen er gemakkelijk tussendoor lopen. Wie de tijdsschaal volgt, ziet de evolutie gewoon gebeuren. Ik vind die presentatie zeer overtuigend. En mochten wetenschappers op dat punt van gedachten veranderen, dan hoeft de conservator alleen maar wat met schedels te schuiven. Bovendien: Wij zijn wel zo eerlijk dat we ook de doodlopende takken in de stamboom laten zien.”

Beiden beamen dat zij met reconstrueren en illustreren beeldbepalend bezig zijn. Adrie: „Je kunt er heel subtiel mee manipuleren. Ik kan een lelijke, harige neanderthalervrouw maken, maar ook een knappe. Soms zeggen wetenschappers zelf: „Maak dat neusje maar wat kleiner.” Zelfs met museumopstellingen kun je mensen manipuleren.”

Hun werk is daarnaast onderhevig aan mode, stelt Alfons. „We bekijken alles door een westerse bril. Reconstructies uit de jaren negentig waren zo lief: de neanderthaler was een feeërieke figuur, die net onder de douche vandaan kwam. Dat beeld klopt van geen kanten, want hij waste zich waarschijnlijk zelden. Hij had dus altijd een luchtje bij zich. Wij gaan voor dat soort realisme.”

Adrie: „Wij zien veel antropologische foto’s. We zijn daardoor gewend aan de grote variatie in H. sapiensvormen. Maar anderen zien alleen West-Europese gezichten en vinden bijvoorbeeld Aboriginals al gauw vreemd, primitief.”

Evolutie

De broers verzetten zich fel tegen de gedachte dat de evolutie van aapachtige tot mens niet waar kan zijn. „Het is een feit. En het is wetenschap; het bewijs ligt er immers. Het is de meest logische aanname als je naar de schedels kijkt.”

Waarom kunnen mensen en apen geen aparte soorten zijn, zonder gezamenlijke evolutielijn?

„Belachelijk”, reageert Alfons. „Ik zie uiteraard ook verschil tussen een aap en een mens. Maar vooral van de laatste 400.000 jaar zijn zo veel menselijke schedels gevonden, die de overgang tussen H. erectus en H. sapiens overtuigend bewijzen.”

Adrie vindt de overgang van H. habilis naar H. erectus ook aanwijsbaar. „Natuurlijk weet ik dat H. habilis een controversiële soort is, die opgedeeld kan worden in Australopithecus en H. erectus, maar de overgang is zichtbaar.”

Stel, de wetenschap komt met het bewijs dat de evolutie er nooit is geweest?

De broers kijken elkaar aan. „Onmogelijk”, reageert Alfons. „Bestaat niet”, betoogt Adrie. „Maar stel dat dat zo zou zijn, dan stammen we af van Mickey Mouse.” Alfons vult aan: „Of van de kabouters.”

http://home.hetnet.nl/~alad/index2.html voor meer foto’s.

Dit is het vierde deel over onderzoek naar vermeende menselijke voorouders.


Paard van Troje

Afbeeldingen van fossiele mensen geven in het algemeen geen waarheidsgetrouw beeld, maar zijn ideologisch geladen. Dat beweert David van Reybrouck in 1998 in het wetenschappelijke tijdschrift Antiquity Journal. De Vlaamse archeoloog en freelancejournalist beschrijft dat de tekeningen voorbijgaan aan de archeologische gegevens en dat ze een weergave zijn van de vooroordelen en speculaties van de vinder.

De afbeeldingen zijn gebaseerd op interpretaties die volgen uit een theorie (de evolutietheorie in dit geval, BvdD). Ze zijn dus niet objectief, maar worden wel als zodanig opgevat. Bovendien worden ze juist vaak gebruikt omdat ze de evolutie zo effectief verkopen, betoogt Van Reybrouck.

In een effectieve tekening zit de interpretatie van de tekenaar naar zijn mening goed verstopt. „Een goede tekening is als een paard van Troje.”


Aap met varkenstand

Harold Cook, een Amerikaanse geoloog, stuit in 1917 op zijn ranch op een fossiele tand. Henry Osborn, hoogleraar zoölogie aan de universiteit van Columbia, krijgt deze in 1922 onder ogen en schrijft hem toe aan Hesperopithecus (aap uit de westerse wereld) met de toevoeging haroldcookii.

Amedee Forestier tekent er in 1922 voor London News een soort aapmens omheen, de ”Nebraskaman”. Osborn is niet echt onder de indruk van de illustratie, die naar zijn mening „geen enkele wetenschappelijke waarde heeft.”

De tand is waarschijnlijk ook als bewijs voor de menselijke evolutie aangevoerd tijdens de ”Monkey Trial”. Dit befaamde proces heeft in 1925 plaats om het onderwijzen van de evolutietheorie op scholen in de VS te verbieden.

William Gregory, een collega van Osborn, gaat in 1927 op de vindplaats op nader onderzoek uit. Dan blijkt dat de tand niet in de mond van een aapmens thuishoort, maar in de bek van een uitgestorven wild zwijn.


Briljante propaganda

Een bekende weergave van de menselijke evolutie is de beroemde parade uit het boek ”Early Man” van Clark Howell. Deze weergave dateert uit 1965 en start met rechtoplopende proto-apen die geleidelijk veranderen in apen en vervolgens evolueren tot moderne mensen.

De optocht is nooit aangepast aan nieuwe fossiele vondsten. Dat hoeft ook niet, meent de Amerikaanse hoogleraar apologetiek Marvin Lubenov. De parade is een verzinsel, schrijft hij in zijn boek ”Bones of contention”, al vanaf de eerste publicatie.

Biologisch klopt de parade volgens hem evenmin, want proto-apen kunnen niet eens rechtop lopen. Sommige apen steken zelfs één poot in de lucht. „Zelfs een kind ziet het onderscheid tussen een viervoetige aap en een tweevoetige mens. Geen evolutionist protesteert echter tegen dit gebrek aan wetenschappelijkheid. Het is briljante propaganda om de evolutie tussen de oren van de mensen te krijgen.”


Lees ook: Dossier:
Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels