Het verdwijnen van het knaagdier kan niet enkel jagers worden aangerekend. Ze nemen weliswaar het wilde konijn graag op de korrel, maar de gevolgen van twee virusepidemieën waren veel ingrijpender. Het schepsel kreeg een halve eeuw geleden eerst de ziekte myxomatose voor de kiezen. Voordat de Spaanse populatie zich van deze ”konijnenpest” kon herstellen, sloeg het viraal hemorragisch syndroom (of: ”rabbit haemorrhagic disease”) bikkelhard toe en deed nagenoeg alle overgebleven diertjes de das om. „Op sommige plekken werd 90 procent van de stand weggevaagd”, zegt Luis Suarez, coördinator van het soortenbeschermingsprogramma bij de Spaanse afdeling van het Wereld Natuur Fonds. „De overheid zou het inmiddels zeldzame konijn de beschermde status moeten geven en op zijn minst een jachtverbod moeten afkondigen.”
Zijn pleidooi heeft alles te maken met het voortbestaan van de Iberische lynx. „Het dieet van deze kleine katachtige bestaat voor 84 procent uit konijn. Zijn dagelijkse voedselbehoefte is precies het gewicht van één zo’n diertje. Voor een wijfje met jongen is dat twee tot drie keer zo veel. Sommige jagers beschouwen de soort om die reden als een geduchte concurrent. Voor hen is het moeilijk te begrijpen dat je beter één lynx kunt hebben dan tien vossen. In normale omstandigheden zorgt de lynx ervoor dat er genoeg konijnen overblijven, want hij houdt het aantal vossen en wezels juist binnen de perken.”
Op papier is de Iberische lynx sinds 1966 strikt beschermd en op het doden staan hoge boetes. Toch vallen er nog slachtoffers door illegale praktijken, aldus Suarez. Zonder dat er overigens altijd boze opzet in het spel is. „De kat komt vaak terecht in konijnenstrikken of vallen met vergiftigd aas dat voor andere roofdieren bedoeld is.”
Blamage
Stroperij en het nijpende tekort aan prooidieren zijn niet de enige problemen waar de slinkende lynxenpopulatie mee kampt. Al ettelijke jaren ageren natuurorganisaties tegen de vernietiging, inkrimping en versnippering van het oorspronkelijke leefgebied. Uit een recente inventarisatie van het WNF blijkt dat 53 infrastructurele projecten het voortbestaan van de Spaanse lynx negatief beïnvloeden. Met Europese subsidies worden dertig stuwdammen aangelegd die valleien -zijn beste habitat- onder water zetten. Door nieuwe wegen en spoorverbindingen raken de dieren nog verder in kleine groepjes verdeeld en zijn ze niet langer in staat veilig van gebied naar gebied te trekken. Bovendien ligt door deze fragmentatie het gevaar van inteelt op de loer.
Het zogenaamde netwerk Natura 2000 van de Europese Unie is volgens Suarez van groot belang voor de Iberische lynx, want het biedt de beste bescherming van natuurlijke habitats in Europa. „De gebieden die de Spaanse regering in dit netwerk wil laten opnemen omvatten echter niet alle leefgebieden die voor het voortbestaan van de soort noodzakelijk zijn. Zo stellen wij enkele biologische corridors voor waardoor de geïsoleerde populaties van de Doñana en de Sierra Morena met elkaar in contact kunnen komen. Die verbindingen zijn van kapitaal belang, want nu is er vanwege de grote afstand en uitgestrekte katoenvelden nauwelijks genetische uitwisseling mogelijk. Hoe meer je de groepen isoleert, hoe minder levensvatbaar ze worden.”
Aanrijdingen met auto’s en vrachtwagens zijn de belangrijkste doodsoorzaak voor de lynx en het sterftecijfer neemt elk jaar toe. „Van 1982 tot 1989 was 19 procent van het aantal dode lynxen te wijten aan het verkeer. Tussen 1990 en 1999 liep dit op tot bijna 42 procent, en na 2000 niet minder dan 55 procent.” De teller van het aantal slachtoffers sinds 2000 staat op 21. „Zelfs in het Nationaal Park Doñana komen lynxen om. Daar vielen vorig jaar drie doden. Onacceptabel.”
Berucht is in dat verband de A483, de drukke asfaltweg tussen El Rocio en Matalascañas. „Midden 2006 botste daar zowel een mannetje als een volwassen vrouwtje tegen een auto. Met beide aanrijdingen slonk de lynxenpopulatie in Doñana direct met 10 procent. Met elk dier dat we hier verliezen komt het volledig uitsterven van de soort dichterbij. Voor Spanje zou dat een blamage zijn, want Doñana is de parel van onze dertien Nationale Parken.”
De Europese Unie kan volgens hem niet langer „enkele kruimels” besteden aan natuurbehoud, terwijl zij grote projecten financiert die volledig tegen deze doelstelling indruisen. „Het wordt tijd dat ze het behoud van wilde soorten ernstig neemt.”
Europees geld
Het WNF zelf zet de Spaanse autoriteiten al drie jaar onder druk om de weg tussen Villamanrique de la Condesa en El Rocio af te sluiten. „Die loopt dwars door een gebied waarin lynxen zich voortplanten. Oorspronkelijk was het een zandweg, maar de regionale overheid liet hem in 2001 illegaal asfalteren. Gedeeltelijk betaald met Europees geld. Het is nu een 20 kilometer lange racebaan geworden. Snelheden van 120 kilometer per uur zijn geen uitzonderingen. Bovendien neemt het verkeer in omvang toe, want inwoners van Sevilla omzeilen met deze route de drukke hoofdwegen naar de kust.” Hij lacht om de geschilderderde rondjes op het wegdek, die rotondes moeten voorstellen. „De auto’s razen er dwars overheen. Twee dode lynxen, dat is tot nu toe de tol.”
De Europese Commissie tikte Spanje eind 2006 op de vingers, omdat deze weg in strijd is met de Habitatrichtlijn. „Daarin staat aangegeven welke wilde planten en dieren en natuurgebieden lidstaten moeten beschermen. Ons land moet nu adequate maatregelen treffen, maar de regering is helaas niet van plan om de weg te sluiten.”
De autonome overheid van Andalusië kwam recent wel met andere voorstellen, zoals het idee om de maximumsnelheid drastisch te verlagen, met name op de A483. Lokale politieke kopstukken verzetten zich daar hevig tegen. Het plaatsen van extra wildtunnels ligt blijkbaar minder gevoelig, want sinds februari zijn wegwerkers druk bezig om onder de A494, de drukbereden kustweg, zes van zulke voorzieningen te plaatsen. Hoge afrasteringen moeten de lynx van de straat weghouden en naar de betonnen doorgang leiden. „Er worden nog struiken aangeplant, zodat het geheel een meer natuurlijke aanblik krijgt”, zegt Suarez, terwijl hij de werkzaamheden in ogenschouw neemt. De praktijk moet uitwijzen of de lynx deze oversteekplekken gaat gebruiken. Als de laaggelegen passages maar niet vol lopen met water…
Fokcentra
Ondertussen denken biologen en beleidsmakers er ook serieus over de restpopulaties in de Doñana en de Sierra Morena op te krikken met in gevangenschap gefokte exemplaren. De Spaanse overheid ging te rade bij Astrid Vargas, die in de Amerikaanse staat Wyoming betrokken was bij het uitzetten van de in het wild uitgestorven zwartvoetbunzing. Ze schreef een actieplan en kreeg in 2003 toestemming om in El Acebuche, niet ver van de strandbadplaats Matalascañas, te beginnen.
Om de lynxen zo wild mogelijk te laten opgroeien, wordt het fokcentrum in Nationaal Park Doñana hermetisch van de buitenwacht afgeschermd. De mens moet uit het zicht blijven, vindt directrice Vargas, bij wie ziektepreventie hoog in het vaandel staat. „Om het risico te spreiden is in de provincie Jaén net nog een fokstation geopend.”
Bezoekers komen niet verder dan haar kantoor, waar de lynxen op beeldschermen zichtbaar zijn. De 27 dieren verblijven in ruime kooien. Drie meter hoge hekken moeten voorkomen dat ze de benen nemen. Tientallen camera’s en microfoons houden ze dag en nacht in de gaten en registreren elke beweging en elk geluidje. „Veel gedragingen zijn daardoor voor het eerst vastgesteld. Zo weten we dat ze op elf verschillende manieren miauwen.”
Vargas spitst vooral haar oren bij een schorre roep. „Dat is het signaal dat vrouwtjes en mannetjes elkaar dulden.” Cromo en Adelia zijn inmiddels zover. Op het beeldscherm geven ze elkaar kopstootjes. „Gisteren hebben ze al drie keer gepaard.”
De afgelopen twee jaar zijn negen jongen geboren. Spannend, vindt Vargas. „Elk moederdier is anders en er kan altijd iets misgaan.” Het was bijvoorbeeld schrikken toen in 2005 een welp tijdens een vechtpartij zijn zusje doodbeet. Ruzie over de onderlinge rangorde? „Volgens dr. Sergey Naidenko, een Russische lynxexpert, komt zulk agressief gedrag inderdaad in allerlei gradaties voor, zelfs met dodelijke gevolgen. De piek ligt rond de 45e dag. Ons jonkie was 44 dagen oud.”
Het waarborgen van de genetische diversiteit vereist volgens haar een fokgroep van minimaal zestig lynxen. Wetenschappers van het Leibniz-Institut für Zoo- und Wildtierforschung in Berlijn zijn druk bezig met het ontwikkelen van een zwangerschapstest en technieken voor kunstmatige inseminatie. Mochten zij daarin slagen, dan zijn in de genenbank van het Nationaal Museum van Natuurwetenschappen in Madrid voldoende sperma- en eicellen voorhanden.
Voerplekken
De gefokte lynxenwelpen krijgen dagelijks een levend konijn, zodat ze zelfstandig leren jagen. Vargas schat dat er pas in 2010 begonnen kan worden met de herintroductie. „Eerst moeten er voldoende jongen geboren zijn.”
Voorlopig moet de wilde populatie zich nog zelf op de been houden, al zijn er hier en daar kunstkraamkamers geplaatst. Vanbinnen bekleed met kurk en voorzien van infraroodcamera’s.
Vorig jaar werden er in de Spaanse natuur 64 jongen geboren, het merendeel in de Sierra Morena. Een hoopgevend signaal, aldus Luis Suarez. Ook in de Doñana is sprake van een lichte stijging, wat de WNF-projectleider voorzichtig toeschrijft aan enkele maatregelen. „Het voortplantingssucces is direct verbonden aan de dichtheid van konijnen. Drie konijnen per hectare is het minimum. Jaren met weinig prooidieren resulteren in minder of zelfs helemaal geen jongen. Om die reden steken we veel energie in het herstellen van de konijnenpopulaties.”
Het WNF sluit contracten met landeigenaren en koopt de jachtvergunningen op particuliere percelen af. „We laten in deze natuurgebieden ook konijnen los in omheinde verblijven, waar de vos en het wild zwijn niet in kunnen komen, maar de lynx wel.”
Vlak bij de plaats Villamanrique liggen de bewijzen voor het oprapen: plukjes wit en zwart haar en verderop grotere vachtresten. De pootafdrukken in de modder zijn vers, maar de voerplek ligt er verlaten bij. Ergens tussen de struiken houdt de lynx zich op. Een vrouwtje, dat vorig jaar drie jongen kreeg. Haar grote, driehoekige oren zijn ongetwijfeld gespitst om elke trilling uit de lucht op te vangen. Om de drie dagen brengt terreinbeheerder Sergio Gonzalez haar vier, vijf tamme konijnen. Geregeld zag hij het wijfje, soms op 20 meter afstand. „Net een huiskat. Ze is niet bang, want hier wordt niet gejaagd.”
Het pakken van een prooi gaat razendsnel, weet Gonzalez. „Op een meter of tien bevriest ze volledig. Al haar zintuigen trillen, de spieren spannen zich, klaar voor een reuzensprong. Ze drukt het konijn direct tegen de grond en breekt met één beet de hals.”
Kon het konijn nog wegspringen, dan grist de lynx het met één klauw uit de lucht. Net voor het fatale moment slaakt het slachtoffer een hoge gil. Daarna is het ijzig stil.
Minipanter
Van alle 36 katachtigen in de wereld is de Iberische lynx (Lynx pardinus) het meest bedreigd. Een eeuw geleden bevolkte het dier een groot deel van het Iberisch schiereiland, het gebied ten zuiden van de Pyreneeën. De laatste twee decennia slonk de populatie van 1200 naar hooguit 150 volwassen exemplaren. Het endemische dier in het Spaanse Andalusië komt nog maar in twee geïsoleerde gebieden voor. Het belangrijkste bolwerk is de oostelijke Sierra Morena, waar 60 tot 115 lynxen in de ruige bergen leven. In de Doñana, een moerasdelta aan de monding van de Guidalquivar ten zuiden van Sevilla, houden zich naar schatting 20 tot 35 volwassen dieren schuil, waarvan een dozijn geslachtsrijpe vrouwtjes.
De ”Lince ibérico” is herkenbaar aan de gepluimde oren, de lange bakkebaarden en het korte, stompe staartje. De ranke kat staat hoog op de poten, is van neus tot staart amper 1 meter en dus een stuk kleiner dan zijn Noord-Europese soortgenoot, de Lynx lynx. Ook is zijn lijf slanker en rossiger. De naam pardellynx dankt hij aan de vele zwarte vlekken, die hem op een minipanter doen lijken. De Iberische lynx is sterk territoriaal en leeft bij voorkeur in een parkachtig landschap, gestoffeerd met hoge struwelen die dekking bieden. De lenige klimmer is bovendien een fan van oude, holle kurkeiken, waarin het wijfje in maart en april twee tot vier jongen werpt.
Konijnenland
Toen de Feniciërs rond de 11e eeuw voor Christus het Iberisch schiereiland bereikten, troffen ze daar veel konijnen aan. Ze vonden de knaagdieren op de klipdassen uit hun land lijken en noemden de streek ”i-saphan-im”, het land van de klipdassen. De Romeinen verbasterden deze naam later tot Hispania. Spanje dankt zijn naam dus aan het konijn.
Keizerarend
Na een kuifkoekoek, een witbuikzandhoen en een grijze wouw zou de dag voor een vogelspotter al goed moeten zijn. Antonio Martin, die jeepexcursies in Nationaal Park Doñana houdt, heeft nog twee purperkoeten in de aanbieding. „Buiten het park meppen rijsttelers deze dieren met tennisrackets dood.” De echte verrassing bewaart de hier geboren en getogen gids voor het laatst. Hij manoeuvreert de Land Rover onder een eucalyptus en richt zijn telescoopkijker op een elektriciteitsmast aan de horizon. „Spaanse keizerarenden”, fluistert Martin, of het de gewoonste zaak van de wereld is. „Klauwen zo groot als een mensenhand.” Tien jaar geleden telde het park nog veertig broedparen. Nu nestelen er slechts zeven koppels. Net als de Iberische lynx zijn ze dol op konijnen.
Scherpziend
De ”Accademia dei Lincei”, in 1603 opgericht, was het eerste wetenschappelijke genootschap van Europa. Het embleem van de academie is een lynx, afkomstig van de titelpagina van de ”Magia naturalis sive de miraculis rerum naturalium”, een boek dat Giambattista Della Porta in 1558 publiceerde en een bundeling is van allerhande natuurwetenschappelijke merkwaardigheden en hun toepassingen. Het dier staat hier afgebeeld met het motto ”aspicit et inspicit” oftewel ”ernáár kijken en erín kijken”. Niet verwonderlijk, want in die tijd gelooft men dat de lynx met zijn scherpe blik dwars door bomen en rotsen kan kijken.