Voor het verdwijnen van de wipstaartjes wordt ook wel naar de vos gewezen. Waarschijnlijk ten onrechte. Van konijnen is aangetoond dat ze zeer effectief zijn in het verweer tegen natuurlijke vijanden. In een gebied met uitsluitend roofvogels en weinig of geen marterachtigen zijn ze vooral in de nachtelijke uren en in de schemering actief. Roofvogels zitten dan op hun slaapplaats. In gebieden waar vooral marterachtigen voorkomen zijn konijnen ook overdag actief.
Dat juist in de duinen op veel plaatsen de konijnen verdwenen zijn, heeft ook te maken met de hoge dichtheden die hier in het verleden voorkwamen. Het was op tal van plaatsen geen uitzondering dat je in de ochtend- of avondschemering vanaf een hoog uitkijkpunt honderden dieren tegelijk kon waarnemen. Juist waar de dieren zo dicht op elkaar leven, is het gevaar voor besmetting groot.
Of het nog goed komt met de konijnenstand is moeilijk te zeggen. Enerzijds is het optreden van besmettelijke ziekten vaak van tijdelijke aard. Als zo’n ziekte is uitgewoed, treedt herstel van de stand op. In het geval van de konijnen wil dat tot nu toe niet erg vlotten. Mogelijk heeft dat te maken met het feit dat konijnen hier van origine niet inheems zijn. Het kan ook zijn dat in tweede instantie toch het toegenomen aantal natuurlijke vijanden een snel herstel in de weg staat. Dan gaat het niet alleen om vossen; ook roofvogels, kraaien en marterachtigen lusten graag een konijntje. Het is overigens onwaarschijnlijk dat dat een blijvende rol zou spelen. Als er weinig konijnen te vangen zijn, loont het voor hun natuurlijke vijanden niet om zich in de konijnenjacht te specialiseren.