Ook bij de formatie van 2003, waarbij ChristenUnie én SGP intensief betrokken waren, keerde dit stereotype zich tegen hen. Met name de VVD ging liever in zee met het libertaire D66 dan met één of twee dogmatisch-christelijke clubjes.
Dát imago, daar moest men vanaf, oordeelde de partijtop in 2003. De ChristenUnie wilde gezien worden als een brede, van-alle-markten-thuispartij, realistisch en bereid tot compromissen. Interviews waarvan de kans groot was dat ze het beeld van een antiabortus- of antihomopartij zouden bevestigen, werden vanaf toen zelfbewust geweigerd.
Schepje erbovenop
Tijdens de formatie van 2006/2007 deed partijleider Rouvoet er nog een schepje bovenop: eigener beweging benaderde hij ”de grote vijand”, COC-voorzitter Frank van Dalen, voor een wederzijdse gedachtewisseling. Om elkaar beter te leren kennen. Om misverstanden weg te nemen. Om te laten zien dat ook christenen geweld tegen andersgeaarden afkeuren.
Zodoende kwamen er, juist op initiatief van de ChristenUnie, passages in het regeerakkoord waarin de coalitie zich vastlegt op concrete bestrijding van homodiscriminatie. De boodschap was duidelijk: ook dit is de ChristenUnie.
Het COC kon de winst in zijn zak steken. Zeker nadat, door het uitvoerige lobbywerk van de homoclub, tal van gemeenteraden moties aannamen om gewetensbezwaren van trouwambtenaren niet langer te erkennen.
Voor de ChristenUnie daarentegen houdt het resultaat van intensieve imagebuilding niet over. Het COC blijft de partij argwanend volgen, verwijt Rouvoet en partijvoorzitter Blokhuis met twee monden te spreken, en suggereert ondertussen een tegenstelling tussen de partijtop, die de ’goede’ kant op beweegt, en de partijbasis, die nog lang niet zover zou zijn.
Als het COC daarmee bedoelt dat er in de ChristenUnie nog veel mensen zijn die de homoseksuele praxis onvoorwaardelijk afwijzen, dan heeft het daarin gelijk. Een eerste duidelijk signaal daarvan kwam eind augustus naar buiten toen het Amsterdamse deelraadslid Yvette Lont in het Nederlands Dagblad schreef dat de homoseksuele praxis de „geestelijke dood” verdient en dat zij van haar partij op dit punt een krachtige stellingname verwacht. Rouvoet haastte zich om Van Dalen te bellen met de mededeling dat Lont niet de partijlijn vertegenwoordigde. De Amsterdamse politica werd vriendelijk doch dringend verzocht haar toon te matigen. De zaak leek gesust.
Incident
Tot een volgend incident zich aandiende. Het Wageningse CU-raadslid Monique Heger bleek te zijn gaan samenwonen met een vriendin. Heger trok zich weliswaar terug uit de raad, maar uitlatingen van Rouvoet en Blokhuis riepen, waarschijnlijk onbedoeld, het beeld op dat wat de partijtop betreft haar lesbische relatie geen belemmering had behoeven te zijn voor haar functioneren als CU-politica.
Voor Lont was de maat vol. Het deelraadslid, vertegenwoordiger van de ooit zo enthousiast binnengehaalde charismatische evangelischen en allochtonen, kon zich niet meer herkennen in de „waterige uitlatingen” van de partijtop over dit zo gevoelige onderwerp. Deze week kwam naar buiten dat ze een motie voorbereidde waarin stond dat praktiserende homo’s geen partijfuncties mogen bekleden of namens de CU in raden, staten of Kamers zitten. De motie zou ze op het Uniecongres op 17 november in stemming gaan brengen.
Gisteravond bleek echter dat Lont, na alle tumult van deze week, toch afziet van het indienen van de omstreden motie. De ChristenUnie kan opgelucht ademhalen. Als er geen andere kiesverenigingen zijn die het voorstel van Lont ’adopteren’ en op hun beurt een partijuitspraak eisen, is de kou voorlopig uit de lucht.
Terugblikkend op de affaire blijft het opmerkelijk dat Rouvoet en de zijnen juist door hun pogingen zich bij homolobby en buitenwereld een betere naam te verwerven intern de grootst mogelijke onrust creëerden. Had dit nu niet voorkomen kunnen worden?
Het antwoord luidt: nee. Lont liet zich aanvankelijk niet tevredenstellen dan alleen met een onomwonden verklaring door de partijtop dat de ChristenUnie praktiserende homo’s uit vertegenwoordigende functies zou weren.
Zo’n uitspraak kon zij van Rouvoet, Blokhuis en de anderen onmogelijk krijgen. De partijtop wil onder geen beding moeilijkheden in de coalitie, noch aanklachten van burgers of organisaties tegen de partij. Die waren ongetwijfeld in grote hoeveelheden ontstaan als Lont haar voorstel had doorgezet en de partij haar idee had overgenomen.
Avondmaal
Maar bovendien speelt een rol dat veel CU-leden, onder wie waarschijnlijk ook partijvoorzitter Blokhuis, minder stellige gedachten hebben over homoseksualiteit dan vroeger. Niet voor niets verwijst Blokhuis naar de verdeeldheid tussen en binnen de kerken die de achterban van de ChristenUnie uitmaken. Progressieve Gereformeerde Bondspredikanten in de PKN hebben geen moeite meer met homoseksuelen die in liefde en trouw met elkaar samenwonen. Sommige Nederlands gereformeerde kerken laten zelfs samenwonende homo’s toe aan het heilig avondmaal.
De oplossing die de partijvoorzitter voor ogen staat, is klaarblijkelijk deze: laat de plaatselijke christelijke gemeenschap maar uitmaken in hoeverre praktiserende homo’s de ChristenUnie kunnen vertegenwoordigen. En laat de personen in kwestie liefst zelf tot de erkenning komen dat zij in de meeste gevallen niet meer geloofwaardig namens de partij kunnen optreden. Zoals ook Monique Heger gedaan heeft. Een politieke partij hoeft zich over homoseksualiteit in het algemeen niet uit te spreken. Wel mag zij gedragsregels opstellen voor haar vertegenwoordigers, maar die regels moeten over meer gaan dan alleen homoseksualiteit.
Nu Lont terug is in het hok, lijkt de kans groot dat de lijn-Blokhuis over twee weken de lijn van de partij wordt.
Reactie Harinck
Interessant aan de huidige discussie in de ChristenUnie vindt prof. dr. G. Harinck het beroep dat door partijvoorzitter Blokhuis wordt gedaan op de verdeeldheid in de kerken. „Dit is een klassiek argument. Ook de ARP gebruikte het wel om bepaalde besluiten of het uitblijven van besluiten te rechtvaardigen.”
Sterk vindt Harinck de redenering niet. „In de jaren vijftig vormden kerken nog het middelpunt van de samenleving. Vanuit je kerkverband koos je voor een bepaalde partij. Dat is nu niet meer zo. Mensen, ook uit de achterban van de CU, kiezen vanwege het programma van de partij voor die club.”
Dan moet je je nu ook niet beroepen op de verdeeldheid van kerken, vindt hij. „Zeg liever: Wij bedrijven christelijke politiek en halen zelf onze standpunten rechtstreeks uit de Bijbel. We kunnen toch allemaal de Bijbel lezen? Zo is ook het beginselprogramma van de CU ontstaan. Niet door eerst met de kerken te gaan praten.”
Dat de discussie over homoseksualiteit ook in de achterban van de ChristenUnie gaat spelen, verbaast Harinck niets. In de kerken waaruit de partij haar leden rekruteert, is een opvallende ontwikkeling gaande, signaleert hij. „In de jaren negentig van de vorige eeuw kreeg je voor het eerst allerlei werkgroepjes van christenhomo’s. Aanvankelijk was dat alles nog tamelijk anoniem. Maar dat is de laatste jaren veranderd. Er is veel meer openheid gekomen. Nu kan ik in mijn kerkelijke gemeente zeggen: Die daar en die, die zijn homo. Dat is iets volstrekt nieuws.”
In feite is er in de achterban van de CU steeds meer erkenning gekomen van de werkelijkheid dat homo’s er nu eenmaal zijn, ook in de kerken. „Zonder dat daar nu meteen een nieuw theologisch standpunt uit voortvloeit. De Nederlands gereformeerden zijn daar het verst in. Die hebben ook synodale uitspraken. Bij christelijke gereformeerden en vrijgemaakten gaat het vooralsnog om de praktische erkenning van het feit dat er nu eenmaal homo’s zijn. Waarbij de spanning met de theologische verantwoording nog helemaal overeind staat.”
Het wel door de CU gebruikte argument dat een christenpoliticus zich niet over homoseksualiteit in zijn algemeenheid hoeft uit te laten, maar alleen over concrete, aan de orde zijnde politieke issues, spreekt Harinck niet aan. „Dat is een heel steriele toepassing van de leer van de soevereiniteit in eigen kring. Een politieke partij laat zich toch ook uit over een breed thema als normen en waarden?”
Reactie politicoloog Krouwel
Volgens de Amsterdamse politicoloog André Krouwel bracht Lont de partij deze week in een lastige positie. „De ChristenUnie zou snoeihard in aanvaring met coalitiepartner PvdA zijn gekomen als de partij de motie-Lont had omarmd en zou uitspreken dat haar vertegenwoordigers niet met mensen van gelijk geslacht mogen samenwonen. Ook het CDA zou niet blij zijn; ook daar is homoseksualiteit vrijwel volledig geaccepteerd.”
De homobelangenorganisatie COC is diep geïnfiltreerd in de sociaaldemocratie, weet hij. „COC-bestuurslid Joyce Hamilton had een belangrijke vinger in de pap bij de opstelling van het PvdA-verkiezingsprogramma. Ook lokale ChristenUniewethouders zitten niet te wachten op partij-uitspraken die de afstand met de PvdA vergroten.”
Als de motie-Lont door de partij zou zijn verworpen, had de traditionele achterban van de partij een probleem, stelt Krouwel. „Die traditionele achterban is het eens met Lont. Zij voelen zich niet meer thuis als hun partij impliciet uitspreekt dat praktiserende homoseksuelen de ChristenUnie mogen vertegenwoordigen.”
Het intrekken van de motie is volgens Krouwel op dit moment de beste oplossing. „Ik denk dat het partijbestuur alles in het werk heeft gesteld om te voorkomen dat Lont haar motie daadwerkelijk zou indienen. Als bliksemafleider zal het bestuur voorstellen om het debat intern voort te laten gaan. De consequentie daarvan is dat partijcongressen de komende jaren geen scherpe uitspraken kunnen doen. Dat is de strategie die het CDA al jaar en dag met succes toepast.”
Het partijbestuur zal waarschijnlijk ook angstig zijn voor aangifte vanwege discriminatie, denkt Krouwel. „De media-aandacht die een dergelijk proces met zich meebrengt, daar zit de partij niet op te wachten. De nieuwe kiezers die de ChristenUnie vorig jaar bij de Tweede Kamerverkiezingen aan zich wist te binden, zullen dan massaal weglopen. Reken erop dat de CU-top alles in het werk heeft gesteld om mevrouw Lont terug in het hok te krijgen.”
De behoudende achterban van de ChristenUnie moet volgens Krouwel niet vreemd opkijken van deze discussie. „Dit hoort bij de transformatie van een getuigenispartij naar een machtspartij. Als de partij onverkort vasthoudt aan de oude uitgangspunten, kan ze niet regeren.”
De vraag of de ChristenUnie zich ontwikkelt tot een mini-CDA vindt de politicoloog niet interessant: „Als de CU het goed doet, kan ze uitgroeien tot een beter-CDA.”
Reactie Van der Sluis
Johan van der Sluis, bestuurslid van Different, een evangelische stichting die mensen terzijde staat als ze het moeilijk hebben met hun seksuele identiteit, ziet in de achterban van de ChristenUnie een verschuiving in visie op homoseksualiteit. Daar is hij niet blij mee.
„Mensen zien homostellen op televisie en in hun eigen leefomgeving. Mensen zien dat mannen echt van elkaar willen houden. Dat maakt ze toleranter en dat is gevaarlijk. Vanuit de Bijbel moeten we duidelijk blijven stellen dat een homoseksuele levenswijze zondig is. De partij moet daar duidelijk over zijn.”
Anderzijds is Van der Sluis niet blij met de toon die Lont in haar brief en motie koos: „Daar spreekt te weinig bewogenheid uit met de homoseksuele naaste. Je moet altijd eerst voor honderd procent begrip hebben voor de naaste die zich voelt aangetrokken tot personen van hetzelfde geslacht. Pas daarna wijs je hem of haar erop dat een keuze voor daadwerkelijk samenleven zonde is tegen God. Maar wel altijd in deze volgorde.”