Zo was Ahn Myong, bewaker in kamp 22 in Haengyong, getuige van ongekend wrede mishandelingen, waaraan ook hijzelf moest meedoen maar die hem op een gegeven moment te veel werden. Zo zag hij meermalen dat gevangenen zo zwaar geslagen werden dat hun ogen uit de kassen vlogen, en botten door de huid naar buiten priemden.
Soon Ok Lee vertelt over vijftig gevangenen die naar een zaal waren gebracht waar ze een stuk gekookte kool kregen om op te eten. De kool bleek vergiftigd te zijn. Binnen een halfuur begonnen ze bloed te spuwen en stierven ze een verschrikkelijke dood.
Inmiddels weten we heel wat van de toestanden in de Noord-Koreaanse strafkampen, waarvan het regime nog altijd het bestaan ontkent. Satellietopnamen en vele tientallen getuigenissen van gevluchte Noord-Koreanen hebben een betrouwbaar beeld opgeleverd van wat zich afspeelt in deze diep weggestopte oorden van verschrikking.
Thomas Belke beschrijft in zijn diepgravende boek ”Juche. A Christian Study of North Korea’s State Religion” hoe gevangenen op basis van de Noord-Koreaanse ideologie tot onmensen worden gemaakt, waarna ze dus als beesten mishandeld mogen worden.
„Iemand die door de gemeenschap is uitgestoten vanwege verraad aan de samenleving”, aldus partijbons dr. Pak Song Duk in 1991, „heeft geen sociaal-politieke integriteit meer; zo iemand is in feite dood. Want een mens die nog wel lichamelijk leeft, maar geen sociaal-politieke integriteit meer heeft (lees: die weigert een volgzame onderdaan van de dictatuur te zijn, red.), die heeft zichzelf gedegradeerd tot een dier.”
In zijn studie ”The Hidden Gulag” stelt onderzoeker David Hawk dat in de ”kwanliso” -een type strafkamp, Noord-Korea kent er meerdere- in totaal tussen de 150.000 en 200.000 gevangenen zitten opgesloten. Elk kamp telt tussen de 5000 en 50.000 gevangenen.
Hawk noemt drie bizarre kenmerken van deze kwanliso. In de eerste plaats is dat het principe van de collectieve schuld. Niet alleen de ’misdadiger’, ook zijn vrouw, ouders, zussen en broers, kinderen en kleinkinderen gaan mee het kamp in. Deze praktijk gaat terug op een uitspraak van Kim Il Sung uit 1972 „dat het zaad van de vijand moet worden uitgeroeid tot in de derde generatie.”
Een tweede bizarre kenmerk is dat gevangenen nooit officieel zijn gearresteerd, in staat van beschuldiging gesteld of berecht. Ze worden simpelweg opgepakt en naar een kamp gebracht, waar dan vaak via intimidatie of marteling een bekentenis wordt afgedwongen. Met familieleden gebeurt hetzelfde: ze worden opgepakt en weggevoerd zonder dat ze te horen krijgen waarom.
Overigens helpt het niet eens als je je voorbeeldig gedraagt, want het regime heeft de complete bevolking in drie klassen ingedeeld, waar je je leven lang niet uitkomt, en die je ook weer op je kinderen overdraagt.
Wie tot de loyale klasse behoort heeft geluk, de tussengroep moet oppassen, en de vijandelijke klasse weet waar hij of zij aan toe is: die gaat het kamp in. Overigens zijn er binnen deze 3 klassen weer 51 subklassen.
Een derde bizarre trek is de combinatie van bewuste ondervoeding van de gevangenen en de plicht tot extreem harde arbeid in de kolenmijnen en staalfabrieken, of bij de houtkap in de bossen - en dat twaalf uur per dag en zeven dagen per week. De vaak uitgehongerde gevangenen eten wat ze pakken kunnen: dat wat het vee voorgeschoteld krijgt, of wilde planten, gras, boomschors, ratten en slangen.
Noord-Koreanen die voor het eerst een kamp binnengingen, vergeten nooit meer hun eerste beelden van deze gevangenen: wanstaltige figuren, misvormde, magere scharminkels, gekromde gestalten, gehandicapt of met geamputeerde handen of voeten.