In de huiskamer van zijn woning in Woudenberg wijst dr. C. A. de Niet naar de rij Voetiusbanden die de boekenkast vullen – het merendeel in het Latijn. „Ik maak me sterk”, zegt hij, „dat er vrijwel niemand is die alles wat Voetius hierover heeft geschreven, ooit heeft gelezen. Ikzelf ook niet. Maar dat lijkt me toch wel een eerste vereiste voordat je hem in deze discussie betrekt.”
„Waar ik een vurig tegenstander van ben, is dat we de groten uit het verleden ónze vragen gaan laten beantwoorden”, zegt de docent klassieke talen aan het Van Lodensteincollege in Amersfoort. „Het gevaar dat je hen laat buikspreken, is levensgroot. Maar daarmee bega je een historische zonde.”
Gisbertus Voetius blijft een beetje zijn eerste liefde, laat De Niet weten. In het kader van zijn dissertatie (1996) vertaalde hij Voetius’ monumentale werk ”De praktijk der godzaligheid” in het Nederlands.
Het is maar een van de vele geschriften die Utrechts eerste hoogleraar in de theologie naliet. De meeste bleven onvertaald – en zullen dat, verwacht De Niet, wel blijven ook.
Zo ook die waarin Voetius zijn opvattingen over de schepping te berde brengt. „Daarvoor zijn we aangewezen op onder andere tien disputaties en een reeks zogeheten ”Problemata de creatione”. Samen beslaan ze meer dan 430 bladzijden in quartoformaat en klein korps. Ga er maar aan staan.”
Moeilijkheden
„Wat in elk geval opvalt”, zegt De Niet, „is dat Voetius de moeilijkheden op dit terrein niet uit de weg wil gaan. Theologen ontkomen er volgens hem haast niet aan om, „als dat zo te pas komt”, na te denken over een antwoord op de vragen die van tijd tot tijd bij het getuigenis van de Schrift worden geplaatst.”
In onder andere zijn disputaties werpt de godgeleerde tal van „problemen” op, die hij vervolgens van een antwoord voorziet. „Zijn alle soorten dieren, ook de giftige en de schadelijke, door God geschapen?” „Ja. Want na de zes dagen zijn er geen nieuwe soorten meer door God geschapen.”
„Wat je bij Voetius wel merkt”, zegt De Niet, „is dat hij nog met een bepaalde onbevangenheid naar deze thematiek kon kijken. Wij zijn dat misschien wel eens een beetje kwijtgeraakt. Bij hem ging misschien ook wel iets sneller de hand op de mond. Dat een scheppingsdag 24 uur heeft geduurd, zul je Voetius zo niet horen zeggen. „Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag.” Meer staat er niet.”
Voetius verzet zich daarom ook tegen mensen als James Ussher, die meenden exact te kunnen berekenen wanneer, en soms zelfs: hoe laat, de schepping had plaatsgevonden. „Het kan niemand die er ook maar even over nagedacht heeft, onbekend zijn dat zo’n berekening tal van tekortkomingen heeft”, schrijft hij.
„Gisbertus Voetius”, stelt De Niet vast, „is het zonder meer waard om verder bestudeerd te worden, ook op dit punt. Maar wat zegt hij aan het einde van die enorm uitgesponnen reeks over de schepping? „Quantum est quod nescimus”: Hoeveel is er wat wij niet weten!”
Uitspraken
„Probl.: Zou men kunnen zeggen dat de vormen van de hemelen en de elementen bij de eerste schepping voortgebracht zijn vanuit het vermogen dat in de materie lag? Antw.: (Hen) die in de schepping geloven (kan men) tevreden stellen door te zeggen dat de materie van de delen waaruit de wereld bestaat, t.w. aarde, water en hemel, nooit onder een andere vorm bestaan heeft en dat ze bijgevolg ook niet als potentie voor hun wezenlijke vorm in de materie gelegen hebben, maar dat van elk de materie en de vorm als delen van hun wezen in hun geheel uit niets voortgebracht zijn. En wat de chaos of die ene ongevormde materie betreft, die niet specifiek en welonderscheiden aarde, water en hemel was, maar die dat alles in potentie geweest zou zijn –
aan een dergelijk verzinsel geven wij geen ruimte, omdat het apert in tegenspraak is met de historie van de schepping” (”Problemata de creatione”, XXXIV).
„Zij die de beschouwing van Gods werken nalaten, worden onvernuftigen en dwazen genoemd, Ps. 92:7” (”De praktijk der godzaligheid”, ed. C. A. de Niet, deel II, blz. 283).
Voetius
Augustinus, Calvijn, Kuyper. Hun namen worden in het huidige debat rond schepping en evolutie veelvuldig genoemd – soms zelfs als zouden zij zo ongeveer evolutionisten avant la lettre zijn geweest. Terecht? In een zesdelige serie laten vijf kenners hun licht schijnen over achtereenvolgens Aurelius Augustinus, Johannes Calvijn, Gisbertus Voetius, Abraham Kuyper en Benjamin Breckinridge Warfield.
Vandaag deel 3: dr. C. A. de Niet over Gisbertus Voetius. Woensdag deel 4.