Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep

Vijf punten van het calvinisme

 Bij de vijf zogeheten Tulippunten gaat het om het hart van het Evangelie: totale verdorvenheid, onvoorwaardelijke verkiezing, beperkte verzoening, onwederstandelijke genade en volharding der heiligen. Foto ANP

Bij de vijf zogeheten Tulippunten gaat het om het hart van het Evangelie: totale verdorvenheid, onvoorwaardelijke verkiezing, beperkte verzoening, onwederstandelijke genade en volharding der heiligen. Foto ANP

Calvijn en de vijf punten van het calvinisme. We hanteren de aanduiding met enige reserve. Calvijn deelde de keurvorst van de Palts mee dat hij de term ”calvinisme” beslist verwierp.
Enige terughoudendheid past ook bij het gebruik van de vijf zogeheten Tulippunten, die feitelijk te herleiden zijn tot de vijf artikelen tegen de remonstranten. Het woordje ”Tulip” staat voor Total depravity (totale verdorvenheid), Unconditional election (onvoorwaardelijke verkiezing), Limited atonement (beperkte verzoening), Irresistable grace (onwederstandelijke genade) en Perseverance of the saints (volharding der heiligen).

Vooral in de Angelsaksische wereld gebruiken theologen deze vijf punten om zich te weren tegen arminiaans gedachtegoed. Men herkent inderdaad in deze vijf onderwerpen de zaken die in de polemiek tegen Arminius en de latere remonstranten voortdurend aan de orde waren en ook vandaag nog steeds van beslissende betekenis zijn. Het is onmiskenbaar dat het hier om het hart van het Evangelie gaat.

Verlorenheid
Zoveel is wel zeker, dat Calvijn in zijn uitspraken over de gevallen mens inderdaad de algehele verlorenheid en verdorvenheid tekent. „Uit de corrupte natuur van de mens komt niets anders voort dan hetgeen verdoemelijk is.” Sinds Adam is dat zo. En „in Adams persoon” zijn ons ook de heerlijkste gaven ontvallen. „We zijn niettemin schuldig door ons eigen kwaad.”

Onze verlorenheid wordt ons aangezegd in de prediking van Wet en Evangelie. De kennis der ellende is daarom ook geloofskennis, die berust op de verkondiging van het Woord. Zo ontstaat die kennis van de mens, die hem tegenover God schuldig stelt. Calvijn heeft daarover in zijn brief aan Sadoleto zeer waardevolle dingen gezegd. De zondaar wordt in de prediking aangesproken op zijn zonde en schuld. Wanneer hij zijn verlorenheid inziet, is er het Evangelie dat spreekt over genade en vergeving.

Hoe komt het dat sommigen die prediking in geloof ontvangen, en anderen haar afwijzen? Voor Calvijn ligt de oorzaak daarvan in Gods eeuwige welbehagen. Gods verkiezing is onvoorwaardelijk. Zij berust niet op het geloof dat God tevoren heeft waargenomen, maar enkel en alleen op Gods wil, op Zijn welwillendheid, die slechts een reden vindt in God Zelf.

Verkiezing
Calvijn heeft zijn leer van de verkiezing in zekere zin telkens strikter geformuleerd. In de eerste druk van de ”Institutie” (1536) legde hij een sterke relatie tussen kerk en verkiezing. Die heeft hij nooit prijsgegeven. Wel zette hij de leer van de verkiezing op een andere plaats. In de tweede editie (1539) verbond hij de verkiezing met de belijdenis van de voorzienigheid als een soort verbijzondering ervan. In de laatste editie (1559) kon hij zeggen dat zijn werk nu in die vorm gepresenteerd werd waarin hij het het liefst zag.

Opvallend is de plaats die nu aan de leer van Gods verkiezing wordt toegewezen. Eerst komen geloof en bekering aan de orde, het christelijk leven en de rechtvaardiging. Pas aan het eind komt de verkiezing aan de orde, hoewel zij logisch aan alles voorafgaat. De plaats alleen al duidt aan dat het niet zijn bedoeling is om vanuit de verkiezing zijn gedachten op te bouwen. Het ervaringsfeit van de tweeërlei uitwerking van de prediking leidt hem achteraf tot de gevolgtrekking dat alleen Gods eeuwige liefde de oorzaak is van ons heil. Zij is ook alleen te vinden in Christus, als spiegel van de verkiezing.

Verzoening
In nauw verband met de belijdenis van Gods eeuwige liefde staat bij Calvijn zijn spreken over de verzoening in Christus. Deze relatie tussen verkiezing en verzoening is zeer duidelijk aanwezig. De spanning die er inzit, raakt de prediking. Maar die leidt bij Calvijn niet tot een breuk tussen beide punten. De spanning wordt opgevangen door de centrale plaats die Christus altijd en overal inneemt.

Terecht kan men zeggen dat bij Calvijn het zijn ”in Christus”, de gemeenschap met Christus, de inlijving in Christus, de centrale gedachte is. In Hem vindt de verkiezing plaats. In Hem krijgt de verzoening wezen en gestalte. Christus is de grote gave van Gods eeuwige liefde.

Calvijn ziet de verzoening in Christus als een geschenk van de eeuwige liefde van de Vader. Het is ook de Vader Die aan Christus de Zijnen toevertrouwt. Hij trekt hen tot Christus, en Christus ontvangt hen wanneer zij tot Hem komen. In hun gelovig komen herkent Christus dat ze door de Vader aan Hem zijn gegeven. Voor hén is Christus gestorven.

Calvijn gaat bij zijn verklaring van 2 Korinthe 2:15 in op de vraag of men dan wel voluit het Evangelie kan en mag prediken, wanneer Christus alleen voor de Zijnen gestorven is. Het antwoord is dat het de kenmerkende eigenschap van het Evangelie is dat het gepredikt wordt tot zaligheid. Maar alleen de gelovigen krijgen deel aan dit heil. Daarom dient men deze meest eigenlijke functie van het Evangelie te onderscheiden van de toevallige of bijkomende omstandigheid (om zo te zeggen) dat het voor de ongelovigen een aanleiding geeft tot hun oordeel. Maar die is dan toe te schrijven aan de verkeerdheid van de mensen. Daardoor komt het dat het Evangelie voor hen een geur van de dood is. De verzoening in Christus moet dus voluit worden gepredikt.

Werkzaamheid van de Geest
Calvijn is een theoloog van de Heilige Schrift en tegelijk van de Heilige Geest. Woord en Geest zijn immers bij hem onafscheidelijk met elkaar verbonden. Wat dit praktisch inhoudt, heeft Calvijn breed uitgewerkt in het derde boek van de ”Institutie”. Het heil dat in de verzoening door Christus verworven is, wordt óns heil door de verborgen werking van de Heilige Geest. Wij krijgen deel aan Christus’ gemeenschap en aan Zijn gaven wanneer wij met Christus verenigd worden. Door het Evangelie wordt deze gemeenschap met Christus ons aangeboden, door het geloof krijgen wij daaraan deel. Maar niet allen komen tot dit geloof. Daarom moeten we hoger opklimmen en vragen naar de verborgen werkzaamheid van de Geest, waardoor we de vrucht genieten van Christus en al Zijn goederen.

Het Evangelie wordt effectief voor ons door de Geest. Achter deze verborgen werkzaamheid staat de kracht van de verzoening aan het kruis. Daarachter staat de verkiezende liefde van God, die zich openbaart in de gave van zijn Zoon. Men kan dus zeggen dat in het werk van de Heilige Geest de kracht van Gods genade in Christus zich openbaart.

Calvijn heeft deze trinitarische dynamiek bijzonder helder beschreven in de teksten over de Geest als Trooster, die in het evangelie naar Johannes zijn geschreven. Achter het heil dat gepredikt wordt en door de Geest wordt betuigd, staat een onwederstandelijke genade. Die term betekent niet dat we geen weerstand bieden tegen het werk van God. Maar de genade van God is sterker. Hij dringt binnen in het hart van de mens en buigt de wil om, maakt van dood levend. De manier waarop in de Dordtse Leerregels daarover gesproken wordt, geeft Calvijns zienswijze weer.

Volharding
Over de volharding der heiligen gaat het in het laatste van de vijf punten van het calvinisme. Calvijn stelt vast dat onze ijver of verdienste de genade van God niet effectief maakt. God werkt het willen en het werken naar Zijn welbehagen. Niet onze wil, die vrij zou zijn, maar Gods wil, Zijn welwillendheid, staat borg voor de volharding der heiligen. De barmhartigheid van God is hier beslissend. Allen lijden van nature aan dezelfde ziekte van verdorvenheid en schuld. Maar alleen zij komen tot herstel, aan wie de Heere in Zijn barmhartigheid de genezende hand reikt.

De volharding is een geschenk van God, dat Hij niet aan allen op gelijke wijze verleent. Wanneer men vraagt naar de grond van dit verschil, waarom de een geduldig volhardt en de ander door onstandvastigheid afvalt, kunnen wij niets anders zeggen dan dat de Heere hen door zijn kracht sterkt, zodat ze niet verloren gaan. De anderen staan voor ons als voorbeeld van onstandvastigheid. Daarom verleent de Heere hun niet dezelfde kracht.

De volharding der heiligen berust op de duurzaamheid van Gods verkiezende genade. De zekerheid van het eeuwige heil ligt in Christus, en is nergens anders te zoeken. Hij is de Herder van de schapen, Die niet wil dat er van hen ook maar één zal verloren gaan.

De belofte van het eeuwige leven, die verbonden is aan het geloof in Christus, kan ons troosten onder het kruis. Zij kan ons kracht geven om staande te blijven. Onze hoop omvat dan ook de toekomst, zelfs tot na de dood. En niets is zozeer in strijd met haar als de twijfel over wat er met ons in die toekomst zal gebeuren. Gods verkiezende genade houdt ons gehele leven in barmhartigheid geborgen. Hij geeft in de gemeenschap met Christus zekerheid in leven en sterven.


Dossier:
Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels
    Meer uit deze rubriek