Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep

Van gebedskring naar het knielen in Psalm 26

Wellicht beïnvloed door allerlei publicaties over het gebed, is zich het verschijnsel gebedskring gaan manifesteren. Het lijkt er een beetje op dat elke zichzelf respecterende gemeente één of meerdere gebedskringen telt. De variatie is groot.
Neem een willekeurige streekkerkbode, en u sprokkelt er met groot gemak een aantal bij elkaar. Gebedsgroepen, gebedskringen van mannen, van vrouwen, morgengebedsgroepen; mannen die voor hun werk eerst samen bidden; vrouwen die later op de morgen bijeenkomen. Er zijn zelfs nachten van gebed en weken waarin men dagelijks bij elkaar komt om te bidden. Er is ergens een Huis van Gebed (ik dacht in mijn onschuld dat onze kerkgebouwen al zo heten).

Er wordt speciaal gebeden voor sommige zieken of voor mensen bij wie een bezetting door een boze geest is geconstateerd door degenen die daarvoor bepaalde gaven hebben. En zo hier en daar duikt intussen zelfs wel eens de gedachte op dat je, als je niet deelneemt aan een gebedskring, eigenlijk een beetje halfwas christen bent.

Nu heeft een gebedskring oude papieren. De gemeente van Jeruzalem bad vurig om de bevrijding van Petrus en werd door de verhoring van haar gebed overrompeld (Hand. 12). En de variëteit in de eerste christelijke gemeenten in de heidense landen heeft ongetwijfeld ook de vorm van het samen bidden gekend. Tal van woorden van de apostelen duiden daarop. Toch is niet altijd duidelijk of dat sommigen uit de gemeente waren, of dat de gemeente in haar geheel bijeen was. Zo groot waren die eerste gemeenten immers niet.

In de kerkhistorie kennen wij, met name in puriteinse kringen, de gebedsstonden op een doordeweekse avond, of ook wel op de zondagen. Deze bijeenkomsten waren bedoeld als samenkomsten van de gehele gemeente, al zal hier ook wel de strijd tussen ideaal en werkelijkheid gestreden zijn. Maar ook is evident dat deze gebedssamenkomsten sterk verbonden waren met de bediening van het Woord. Er werd gebeden om zegen daarover, om bekering en om vrijmoedigheid van het geloof, om doorbraak van geestelijk leven, om de toerusting van de dienaren van het Woord. En als men vandaag de dag veel nadruk legt op ”groeien in het geloof”, heb ik toch het gevoel dat men soms op een andere golflengte zit.

Vandaag is het voor de meeste lezers biddag voor gewas en arbeid. De vraag houdt ons bezig of we in reformatorisch Nederland nog weten wat bidden ten diepste is, en hoe zich dat verhoudt met een min of meer massaal karakter van een kerkdienst, of ook met het nogal georganiseerde van diverse gebedskringen.”

Let wel: het is een vraag! Er zullen er ongetwijfeld zijn die als roependen in de woestijn menen te moeten functioneren en, misschien wel juist vandaag, klaagzangen aanheffen dat het ware bidden nog maar spaarzamelijk gevonden wordt. Zulke negativiteit berokkent slechts onnoemelijke schade.

Zegeningen tellen
Wij mogen allereerst onze zegeningen tellen. Wij leven nog altijd in een bevoorrecht land. Denkt u er vanavond maar eens aan: aan al die anderen die met ons verbonden zijn, door heel het land heen. Dat is niet bedoeld om machtsdenken te voeden, maar wel om eraan te denken dat er een wolk van gebeden tot God opgaat.

Ik zou willen benadrukken dat dit nog altijd de ontroering is van het samen bidden in de kerk. En niet alleen de ontroering. Wij bidden hier in het midden van de gemeente. Dat is niet zomaar een stel losse mensen, evenmin het initiatief van de een of andere groep. Hier verschijnt de gemeente Gods voor haar Heere en haar Christus en is het de Geest van de genade en de gebeden die haar samenbindt.

Dat heeft het bidden van de gemeente, onder ambtelijk gezag, vóór op alle bidden in groepen en kringen. Ik zeg niet dat daarop geen zegen kan rusten. Integendeel. En toch, ik zeg het met schroom: zo snel kruipt het vrome vlees ertussen, de ”onderonselijkheid”, het warme gevoel, de concurrentie in mooi bidden, het gevaar van een geestelijke elite. Voor sommigen geldt dit misschien als vloeken in de kerk. Ik meen oprecht dat het tijd wordt om af te remmen, teneinde niet aan wildgroei ten onder te gaan. Ik bedoel die wildgroei waarin het armezondaarsleven in ademnood raakt en het leven kan uitblazen. Waarin bidden, wellicht ongewild, ontaardt in het commanderen van God.

Geloof mij, ik zie geen spoken. Wilt u samen bidden in een groep of kring? Bedenk dan altijd waar God u heeft gevonden: Als Israël weleer op het vlakke van het veld (Ezech. 13). En toen breidde de God van dit volk en van ieder die in Christus is Zijn vleugels over ons uit.

Binnenkamer
Een vurig pleidooi voer ik voor het eenzaam bidden in uw binnenkamer. Alleen met God. „De wereld wil mij achterna, al waar ik ga of sta”, schreide Guido Gezelle. In die stilte met God krijg ik ze allemaal op mijn hart gebonden: een hele wereld, een hele kerk, de stad en het dorp waar ik woon, de koningin en de regering, de volksvertegenwoordiging, de christen, de moslim, de (moderne) heiden. De jeugd op wie ik niet op schelden zal, omdat God leeft en aan Zijn ontferming denkt.

Maar het allermooiste is het toch als ik naar de kerk ga: „Wat blijdschap smaakt mijn ziel, wanneer ik voor U kniel” (Ps. 26). En als ik vanavond of zondag rondkijk en misschien wel Jan Rap en zijn maat zie zitten, dan begin ik al te bidden: „Heere, ontferm U.” En straks tijdens het gebed (laat dat alstublieft geen inlichtingendienst zijn voor de Allerhoogste) dan weet ik mij opgenomen in de gebeden en gedragen tot aan het hart van Christus.

Naar de kerk gaan: goed voor u, goed voor jou. Wij zullen horen wat God de Heere tot ons spreken zal. Ik gun het alle mensen.


Dossier:
Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels
    Meer uit deze rubriek