Gertrude staat bij de bakker in de kraam. Ze heeft, dat weet ze nog wel, op school over hem gehoord. „Ik denk in de geschiedenisles. Later is dat weggezakt. Had hij niet te maken met Luther, met de kerk, met de zwartekousenkerk? Ik ben het vergeten, want na schooltijd moest ik altijd direct aan het werk.”
Twee vriendinnen schuilen onder een paraplu. Daar kan nog net een derde bij. Of ze iets over Calvijn weten. „Heel vaag”, zegt de een. „De ander: „Zijn naam kwam vroeger met de geschiedenisles wel eens langs. Verder weet ik het niet. Was Calvijn geen alchemist, een natuurfilosoof?”
De Grote Markt in Breda ligt ingeklemd tussen de Grote Kerk en de Sint-Antoniuskathedraal van het bisdom Breda. In de Grote Kerk zit Herman. Hij int het toegangsgeld. Herman moet wel diep nadenken, maar blijkt dan toch iets meer over Calvijn te weten. „Hij had te maken met de Reformatie, in Zwitserland vooral.” Als hij aan Calvijn denkt, komen hem deze trefwoorden voor de geest: „Sober. Gematigd. Streng. Wat ik nog wel weet, is dat er toen veel gedoe was in de kerk, waardoor veel mensen van hun geloof afvielen.”
Heeft hij gehoord over de vijfhonderdste geboortedag van Calvijn? Er gaat hem opeens een groot licht op. „Dan is Calvijn net zo oud als onze torenklok. Vijfhonderd jaar geleden werd de klepel erin gehangen. Dus onze toren is net zo oud als Calvijn.”
Herman denkt dat hedendaagse jongeren nooit gehoord hebben van Calvijn. „Op de basisschool doen ze tegenwoordig niets meer aan geschiedenis. Vroeger werden bij ons de jaartallen erin gestampt.”
In een zijbeuk staat een oudere heer aandacht te kijken naar een groot grafmonument van Frederik van Renesse. Hij is erg geïnteresseerd in geschiedenis, zegt hij. Hij is geen christen, maar Calvijn komt hem niet helemaal onbekend voor. „Luther. Had Calvijn niet iets te maken met Luther, met het begin van het protestantisme?”
Zouden er nog volgelingen van Calvijn in Nederland wonen? De heer knikt: „In Zeeland, en op de Veluwe.” Verder heeft hij er niets mee. „Ik ben rooms-katholiek. Calvijn is mijn vriend niet.”
Dat Calvijn dit jaar herdacht wordt, is nieuw voor hem. „Er wordt zo veel herdacht. Het is allemaal zo oppervlakkig, zo optochtelijk.”
Het grote Flentroporgel zwijgt. Uit speakers klinkt klassieke muziek. De stoelen zijn weggehaald. Eenzaam is de kansel aan een zuil blijven hangen.
Op de Grote Markt maken twee mannen van de reinigingsdienst de rioolputjes schoon. De een wil niets zeggen. De ander zegt: „Calvijn, dat was toch een schilder, of een dichter. Of, had hij iets met de kerk te maken?”
Een derde, die het marktvuil wegbezemt, weet het beter: „Van Calvijn mocht je niks. Zeker niet met vrouwen.” Vieze woorden rollen over straat.
Drie meisjes staan onder een luifel onder het roken een zak patat te eten. Charlotte, Suze en Ria. Ze zijn goed bij de pinken. „Calvijn was een van de drie hervormers. Je had Calvijn, je had Luther en je had Zwingli.” Ze zijn hervormd opgevoed, ze zijn ook gedoopt. „Maar we zijn niet gelovig meer. Het komt er gewoon niet van.”
Ook de kaasboer komt er eerlijk mee voor de draad. Hij weet van geen Calvijn, van geen kerk, en van geen geloof af. „Ik denk dat het de belangrijkste dingen van het leven zijn. Ik voel me er ook wel eens schuldig over, dat ik er zo weinig aan doe.”
In de Sint-Antoniuskathedraal staan een man en een vrouw onder het orgelbalkon. Zij is echt van deze tijd. Hij is een boeddhistische monnik, gekleed in een lang rood gewaad. Wat denkt zíj bij de naam Calvijn? „Aan: „Ledigheid is des duivels oorkussen.” En aan „Gij zult in het zweet uws aanschijns uw brood verdienen.” Zulke dingen.” Ze bedoelt dat niet eens spottend. „Laat Calvijn een somber mens zijn geweest. Tegenwoordig maken wij er een janboel van.”
De boeddhistische monnik heeft zijn kerkgeschiedenis goed geleerd: „Calvijn, dat was, samen met Luther, de man van de kerkhervorming. Ze bedoelden het wel goed, dat geloof ik wel. Maar het was zo dogmatisch allemaal. Vroeger was ik hervormd. Van de weeromstuit ben ik boeddhist geworden.”