Hij schreef: „In hoeverre geloven we nog dat bidden ”helpt”? Is het een traditie of een beleving? Zijn we ons er van bewust dat het houden van de biddag consequenties met zich meebrengt? Gaan we ervoor om opnieuw in afhankelijkheid ons werk te doen en het van onze Schepper te verwachten? Graag wil ik dat aan onze hele dorpsgemeenschap toewensen en ik hoop dat Gods zegen ons allemaal ten deel zal vallen, in voor- en tegenspoed, in welvaart en in minder goede tijden, in vreugde en verdriet.”
In Urk is het -in afwijking van de rest van het land- biddag op de tweede woensdag van februari. Dankdag vieren de Urkers op oudejaarsdag. Kramer: „Vroeger lagen de schepen de periode van zes weken tussen dankdag en biddag in de haven. De tijd werd gebruikt voor onderhoud aan schepen en netten. Januari is door het stormachtige en koude weer een gevaarlijke maand. Vissen met de zeilen en later met de eerste, zwakke motoren was levensgevaarlijk.”
Anno 2008 is de situatie anders. Schepen zijn groter, sterker en veiliger. Economisch gezien is het niet verantwoord zes weken stil te liggen. Niet varen is niet verdienen. „Alleen in de biddagweek varen de schepen niet uit. Ik heb wel de indruk dat het gebeurt omdat niemand het doet. Een Urker redeneert zo: Als we iets doen, doen we het met z’n allen.”
De 56-jarige Urker zit al dik veertig jaar in de visserij. Hij wilde het graag tot zijn zestigste volhouden maar vorig jaar september kreeg hij een hartinfarct. „Gelukkig gebeurde het op zondagavond hier op Urk. Als we op zee waren geweest, had ik het waarschijnlijk niet gehaald om binnen een uur in een ziekenhuis te zijn.”
Zijn cardioloog gaf het dringende advies niet meer naar zee te gaan. Kramer leeft nu vanuit huis „volop mee” met de zes bemanningsleden van de UK 87. Op de bank in zijn huiskamer zegt hij: „Ik breng ze op maandagmorgen weg naar de Eemshaven en haal ze vrijdags weer op. Ik moet zeggen dat ik het wel mis. Op zee had ik meer rust dan aan de wal.”
Het zit de vaderlandse visserijsector niet mee. Het platvisquotum is opnieuw gekort, de gasolieprijs is naar recordhoogte gestegen, de resultaten staan onder druk als nooit tevoren. „Deuken”, noemt Kramer ze.
„Het is niet verwonderlijk dat er 23 kotters van de Nederlandse vloot de sanering zijn ingegaan. Ook bij ons op Urk is de vloot drastisch gekrompen met elf vaartuigen. Wat een impact zal dat op veel gezinnen hebben, en in sommige gevallen dramatische, emotionele taferelen veroorzaken. De vloot die overgebleven is, staat voor een tijdperk dat beslissend zal zijn voor het voortbestaan van de eens zo prachtige, bloeiende bedrijfstak.”
De Urker gemeenschap kreeg daarbovenop twee dodelijke ongevallen te verwerken. Een 21-jarige jongeman overleed bij een duikongeval en een andere visser kreeg op volle zee het zware vistuig tegen zich aan. Hij was op slag dood. „Oude en verse wonden werden weer opengescheurd”, schreef Kramer in Het Urkerland. „Laten we deze biddag ook gebruiken om de nabestaanden te brengen voor de troon van onze God.”
Kramer vindt het fijn om midden in de biddagweek naar Gods Huis te kunnen. „Bidden komt vaak op het tweede plan. Als het goed gaat hebben we de Heere niet zo nodig. Is er nog afhankelijkheid? We hebben moderne schepen en goede spullen, maar visser is tegelijk een gevaarlijk beroep. Er hoeft maar dit te gebeuren en er is diep verdriet.”
Volgens de schipper aan de wal gloort er perspectief. „Schol en tong laten zich goed vangen. We komen letterlijk om in de vis. Al brengt dat met zich mee dat gedurende het hele jaar met de ”handrem” erop gevist moet worden, het geeft een veel beter gevoel dan dat er ”geschraapt” moet worden om een besomming te maken. Jammer dat Brussel wat betreft de vaststelling van de visbestanden nog achterloopt en ons in een moeilijk parket brengt: veel vis en weinig vangstmogelijkheden. Het doet pijn als je ziet dat jouw kostelijke Noordzeevis niet meer opbrengt dan de kwalitatief mindere importvis uit Azië.”
Voorafgaand aan ieder vertrek naar zee had Kramer het goede gebruik om op de kotter met zijn bemanning een hoofdstuk uit de Bijbel te lezen en voor te gaan in gebed. „Zo sloten we op vrijdag de week ook weer af. Het is goed om te bidden om een zegen.” Blijde en droeve gebeurtenissen memoreerde de schipper in zijn gebeden. Hij viste met een gemêleerd gezelschap: van evangelisch tot orthodox gereformeerd maar „aan boord werd en wordt niet gevloekt.”