Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep

Tussen rechtvaardiging en overwinningsleven

 Opwekkingsconferentie in Biddinghuizen, 2010.

Opwekkingsconferentie in Biddinghuizen, 2010.

HEERENVEEN – De mens mag volgens dr. W. J. Ouweneel niet bij de rechtvaardiging blijven staan. „Hij houdt op aarde zijn zondige natuur, maar hij is niet langer in de mácht van de zonde.” Dr. J. Hoek: „Ieder overwinningsleven dat aan het kruis voorbij wil zijn, valt ten prooi aan hoogmoed.”

Beide theologen gaan in discussie met elkaar in het vorige week verschenen boek ”Gereformeerden en evangelischen. Overeenkomsten en verschillen in actueel perspectief” (uitg. Medema, Heerenveen). Beide theologen verschillen vooral van mening op het punt van rechtvaardiging en heiliging, doop en verbond.

De uitdrukking ”rechtvaardiging uit geloof” staat in de evangelische traditie veel minder centraal dan in het protestantisme, stelt dr. Ouweneel. De evangelische traditie sluit volgens hem meer aan bij de oosters-orthodoxe traditie, waar het meer gaat om de overwinning op satan, het herstel van het beeld van God in de mens en de rol van de Heilige Geest daarbij.

Dr. Ouweneel ziet binnen het protestantisme een relatief geringe plaats voor de Heilige Geest vergeleken met de evangelischen. „Tegenover het arme zondaarsgeloof dat veel traditioneel-protestants denken kenmerkt, staat de evangelische nadruk op een geheiligd overwinnings­leven, niet in eigen kracht, maar in de kracht van de Geest.”

Volgens dr. Hoek is er echter sprake van een hardnekkig mis­verstand wanneer de gereformeerde geloofsbeleving als het arme zondaarsgeloof wordt getypeerd tegenover geheiligd overwinningsleven. De jubel van Romeinen 8 volgt niet chronologisch op de klacht van Romeinen 7, maar het gaat hier om een samen­klank die gaandeweg wordt verdiept. „Het drááit in het christenleven om de rechtvaardiging, terwijl het gáát om de heiliging en de verheerlijking.”

Dr. Ouweneel erkent dat rechtvaardiging belangrijk is, maar God heeft de christen veel méér gegeven. Hij ziet de rechtvaardiging als iets wat behoort bij het fundament, niet bij het gebouw. „Daarom vind ik gelijkvormigheid met Christus, het eeuwige leven als een tegenwoordig bezit, intimiteit met God, vervulling met de Geest en dergelijke belangrijker dan de rechtvaardiging.” Het gaat volgens hem eerst over de positie van de christen in Christus en daarna de praktische heiliging en rechtvaardiging. Hij vindt de betekenis van de Heilige Geest in het praktische christen­leven in de westerse traditie „enorm verwaarloosd”, al komt er „gelukkig” een kentering. Daarom is het geen wonder dat veel christenen zich meer in Romeinen 7 (negatieve ervaringen met heiligmaking) dan in Romeinen 8 (vrijgemaakt van de zonde, vervulling met de Geest) thuisvoelen.

De christen is niet langer in de mácht van de zonde; door de kracht van de Heilige Geest hóéft hij niet langer te zondigen, aldus dr. Ouweneel. Heiliging is niet iets negatiefs (de zonde eronder krijgen), maar juist iets positiefs: gelijkvormigheid aan God of Christus.

Dr. Hoek erkent dat de gelovige de status van gerechtvaardigde én van heilige heeft: in Christus is hij een nieuw schepsel. In de heiliging streef ik ernaar te wórden wat ik in Christus ben. Is bij evangelischen de rechtvaar­diging niet te veel een doorgangsstadium in een groeiproces? zo vraagt hij zich af. Er is een klein beginsel van gehoorzaamheid (Heidelbergse Catechismus), maar dat heeft een krachtig „ferment”: het naar álle geboden Gods willen leven.

Dr. Ouweneel noemt het een misverstand dat in de heiliging de christen steeds beter wordt. De christen wordt juist steeds volwassener. „Heiliging betekent niet zozeer dat je steeds sléchter van jezelf denkt, maar eerder dat je steeds mínder aan jezelf denkt en steeds meer aan Christus.” Het Nieuwe Testament spreekt nooit van een strijd tegen de zonde ín de gelovige, maar over de zondige machten búíten hem. Dr. Ouweneels grootste probleem met de gereformeerde leer van de rechtvaardiging en heiliging is dat deze nog zo veel over zonde en te weinig over Christus gaat.

Gereformeerden leggen volgens dr. Ouweneel zozeer de nadruk op de continuïteit van het Oude en het Nieuwe Testament dat de kerk als het geestelijke Israël wordt gezien. Dit is vervangingstheologie, aldus dr. Ouweneel. „Zolang men de babydoop als teken van het verbond en als in de plaats van de besnijdenis gekomen acht, is men nog gevangen in het vervangingsdenken. De kwestie van de doop (babydoop of geloofsdoop) is dan ook hét belangrijkste geschilpunt tussen gereformeerden en evangelicalen, doordat deze kwestie met zo veel andere theologische thema’s blijkt samen te hangen.” Dr. Hoek stelt dat wanneer de heidenen in Christus deel hebben aan het vernieuwde verbond met Abraham, er geen sprake is van vervangingsdenken, maar van „verbredingsdenken.”

De twee theologen botsen vooral op het punt van verbond en doop. De principiële keus om de kinderdoop te aanvaarden, is volgens dr. Hoek gefundeerd in de overtuiging dat God het nieuwe verbond behalve voor Israël ook voor christenen uit de heidenen heeft bestemd. Het verbond is op wederkerigheid aangelegd, zodat de doop van kinderen pas voltooid wordt wanneer het kind tot persoonlijk geloof en belijden komt.

Dr. Ouweneel noemt het gereformeerde verbondsdenken „door en door oudtestamentisch.” „Er is met de gemeente simpelweg nooit een verbond gesloten”, zo poneert hij. Gereformeerden hadden de verbondsleer volgens hem „nodig” in hun strijd tegen de wederdopers om de kinderdoop –achteraf– te legitimeren. Het Koninkrijk Gods is zijns inziens een veel universeler begrip in de Bijbel.

Dr. Hoek typeert zijn visie als „vervullingsleer.” In Christus komen de wegen van Jood en heiden bijeen. Doop en besnijdenis doelen beide op de opname in de gemeenschap van het volk van God, en daarom worden de kinderen erin meegenomen. De besnijdenis beeldt een voluit geestelijk heil af dat in de kern niet verschilt van het heil in Christus.

De theologen kruisen ten slotte de degens over de christen en de wet (onder de meer de plaats van de zondag) en kerk en ambt. Volgens dr. Ouweneel is in deze tijd van „brede ontwikkeling, democratisering en mondigheid” de figuur van de dominerende predikant achterhaald. „Men mag nóg zo’n hoogkerkelijke ambtsopvatting huldigen, deze werkt in de praktijk gewoon niet meer.”

Dr. Hoek kiest voor een „heilzame samenhang tussen het ambtelijke en charismatische.” Het ambt is een gave Gods aan de gemeente en heeft alles te maken met roeping. Kerkenraden moeten echter geen tweedeling in de gemeente scheppen tussen ambtsdragers die de dienst uitmaken en een onmondige gemeente. De leidinggevenden coördineren alle gaven in de gemeente en zorgen ervoor dat mannen én vrouwen in hun diversiteit en gelijkwaardigheid worden ingeschakeld in de opbouw van de gemeente.

Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels
    Meer uit deze rubriek