Tulip
De leer van de gereformeerde orthodoxie die volgde op de Reformatie wordt vaak samengevat met de Engelse afkorting ”Tulip”. Dit staat voor de vijf stellingen: totale verdorvenheid, onvoorwaardelijke verkiezing, beperkte verzoening, onwederstandelijke genade en volharding van heiligen.
In zijn lezing besprak dr. Hoek de vraag in hoeverre de leerstellingen van ”Tulip” ook al bij Calvijn aanwezig waren. Hij onderscheidde daarbij drie antwoorden.
Het eerste antwoord is volgens dr. Hoek dat er een duidelijk verschil bestaat. „Calvijn zou een uitgebalanceerde geloofsleer hebben ontwikkeld. Zijn opvolgers en volgelingen, zoals Theodorus de Beza, zouden het evenwicht echter al gauw ernstig hebben verstoord door een te sterke nadruk op menselijk nadenken. De systematisering die zij hebben toegepast, zou Calvijn in deze opvatting als arrogantie hebben beschouwd.”
Een voorbeeld van het verschil tussen Calvijn en Beza dat in deze visie volgens dr. Hoek wel naar voren gehaald wordt, is de verkiezingsleer. „Calvijn plaatste de verkiezingsleer niet in het kader van Gods soevereiniteit en voorzienigheid, maar in het kader van heiliging, rechtvaardiging en gebed. Hij benadrukte nooit dat Christus alleen voor de uitverkorenen gestorven is en was voorzichtig met al te diep graven in de verkiezing. Beza maakt echter de oude fout om de uitverkiezing te behandelen bij de leer van Gods voorzienigheid, waardoor hij de deur openzette voor valse lijdelijkheid.”
Toch is deze visie volgens de bijzonder hoogleraar te zwart-wit. Een tweede antwoord is dan ook dat bepaalde „gevaarlijke” opvattingen wel degelijk al bij Calvijn aanwezig waren, de zogenoemde ”negatieve continuïteitstheorie”: „Wat bij Calvijn al in beginsel aanwezig was, wordt volgens deze opvatting door zijn opvolgers stelselmatig uitgewerkt.”
Tegenover deze positie is er de laatste tijd volgens prof. Hoek nog een andere benaderingswijze gekomen, de ”positieve continuïteitstheorie”. Hierin wordt ook uitgegaan van een geleidelijke overgang van Calvijn naar het calvinisme, maar deze ontwikkeling wordt positiever gewaardeerd: „De latere systematiseringen worden niet gezien als een opzettelijke breuk met de meer puur Bijbeluitleggende benadering door de reformatoren. Het gaat niet om afscheid ván de Bijbeluitleg, maar om een hulpmiddel bíj de Bijbeluitleg.”
Volgens dr. Hoek is het meest te zeggen voor de laatste theorie. „Het is achterhaald om een tegenstelling te maken tussen de Reformatie en het vervolg daarop. Waterdichte schotten bestaan er in de geschiedenis niet.”
Op één punt ziet dr. Hoek een verschil tussen Calvijn en ”Tulip”, namelijk ten aanzien van de beperkte verzoening. „Calvijn en ook Bullinger leerden niet dat de verzoening zelf beperkt is, maar alleen dat de toepassing ervan in de verlossing dat is. Het verzoeningswerk van Christus mag niet van tevoren ingesnoerd worden door de leer van de uitverkiezing. Het is daarom beter om niet van ”beperkte verzoening” maar van ”particuliere verzoening” en ”beperkte verlossing” te spreken.”
Andere uiterste
Aan het einde van zijn lezing stelde de buitengewoon hoogleraar dat de drie ”sola’s” van de Reformatie uiteindelijk meer bruikbaar zijn voor de verkondiging van het Evangelie dan de vijf punten van ”Tulip”. „Het logisch-systematisch kader van ”Tulip” is veel eerder een ingrijpend keurslijf voor de Bijbelteksten dan het meer verkondigende kader van de reformatoren, dat beter aansluit bij de bedoeling van de teksten.”
Tegelijkertijd zijn we vandaag in het andere uiterste terechtgekomen, aldus dr. Hoek. „Doordat de gereformeerde orthodoxie een correctie kan geven op het huidige relativisme, is het van blijvende betekenis.”