Hij sprak in Ede tijdens de eerste studieavond die door de THGB in samenwerking met het Instituut voor Gemeenteopbouw en Theologie (IGT) was georganiseerd. In een zevental lezingen wordt de boodschap van Calvijn belicht aan de hand van door hem geschreven teksten.
Calvijn had grote liefde voor het psalmboek, zei de Kamper hoogleraar. Hij zong de psalmen in de erediensten graag en zette zich in voor een goede psalmberijming en goede melodieën. De reformator preekte over het boek van de psalmen vaak op zondagmiddagen, alsook door de week.
Het commentaar van de psalmen vormde een weerslag van de colleges van de Geneefse kerkhervormer. „Het was de bedoeling dat de predikanten het commentaar zouden doorvertalen naar het gewone volk. Zijn preken over de psalmen waren eenvoudiger, maar er wordt toch heel wat kennis verondersteld.”
Volgens prof. Hoek komen in Psalm 51 het hart en de kern van het christelijk geloof aan de orde: de verkondiging van Gods genade ten overstaan van de aangrijpende werkelijkheid van de zonde. „Het zonlicht van Gods heil valt in Psalm 51 als door een prisma uiteen in alle kleuren van de regenboog. Het is dan ook geen wonder dat er zo veel over deze psalm geschreven is. Uit de periode tussen Augustinus en Luther (globaal tussen de jaren 400 en 1500) zijn zo’n 300 commentaren op deze psalm bekend.”
Luther heeft bij zijn verklaring van Psalm 51 ook aangegeven dat die de belangrijkste artikelen van het christelijk geloof bevat: boete, zonde, genade, rechtvaardiging en de ware dienst van God. Calvijn heeft er niet anders over gedacht.
Op één punt was prof. Hoek het niet eens met het commentaar van Calvijn op Psalm 51, namelijk als die stelt bij vers 13: „Zo heeft ook David, terwijl hij nadacht over de zonde, zich ontrust en benauwd gevoeld, maar toch vermocht hij te rusten in de overtuiging dat, omdat hij een kind van God was, hem niet zou ontnomen worden, wat hij door zijn onrechtvaardigheid had verbeurd.” Prof. Hoek: „In de ervaring kan het toch wel gebeuren dat men soms niet meer weet een kind van God te zijn. Je hoeft Calvijn niet kritiekloos te lezen. Zijn commentaar is de Heilige Schrift niet.”
Op een vraag of de kennis van de zonde nodig is voor de vergeving ervan, zei de hoogleraar: „Calvijn zegt dat je je geen vrijspraak kunt voorstellen zonder kennis van de zonde. Het gaat echter niet om een chronologische volgorde, maar om een theologische.”
Calvijn stelde dat God niets anders eist van zondaren dan dat ze verootmoedigd en terneergeslagen Zijn goedertierenheid afsmeken. De hervormer vindt het toch geen voorwaarde voor het geloof.
„Ik antwoord dat David er niet over handelt welk loon de mensen God zullen aanbieden of door welke verdiensten zij vergeving van hun zonden verkrijgen, maar dat hij, integendeel, het verslagen hart stellende tegenover alle bedenksels van loon, uitdrukkelijk heeft willen aantonen dat de mens in zichzelf ontbloot is van alle goed, zoals ook de diepe ootmoed van het hart geen andere strekking heeft dan de mensen geheel en al van zichzelf te ontledigen.”