Voorafgaand aan de stemming stelden verschillende afgevaardigden vragen over culturele verschillen, over het functioneren van de gereformeerde belijdenisgeschriften op de zendingsvelden, over de aard van de predikantenopleiding in Papua, en over praktijkverschillen bij de bediening van de sacramenten.
Andere afgevaardigden wezen op een synodaal besluit uit 1992. Toen werden de kansels in Nederland reeds opengesteld, mits de voorganger de Nederlandse taal beheerste. „Het gaat dus nu alleen om het opheffen van een taalbarrière. Wie a zegt, dient ook b te zeggen.”
Als voorzitter van het deputaatschap zei ds. Van Eckeveld ervan overtuigd te zijn dat jonge kerken nog verdieping nodig hebben, „maar we spreken wel over kerken die ook zelf zich ten volle bewust zijn dat verdieping nodig is.”
Zendingsdeputaat ds. J. Driessen (Den Haag) zei het vanzelfsprekend te vinden dat verdieping nodig is. „Wil die afgevaardigde, die meent zelf geen verdieping nodig te hebben, zijn hand opsteken?”
De synode schaarde zich met 37 van de 40 stemmen achter het voorstel van de zending om in voorkomende gevallen de kansels open te stellen voor predikanten uit de zendingskerken. Daarbij werd de aantekening gemaakt dat deze predikanten zowel praktisch als theologisch zonodig begeleid worden door zendingsdeputaten. Aan het besluit werd op verzoek van ds. C. J. Meeuse (Goes) toegevoegd dat vertaling plaats dient te vinden door een ambtsdrager.