Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep

Predikant greep in als het te gek werd

EPE - De kerk was in de negentiende en de twintigste eeuw dé plek om te experimenteren met nieuwigheidjes in de klederdracht. In het gunstigste geval kregen durfals bijval van andere vrouwen. Vaker werd de draagster van een net iets andere doek of vouw verguisd. Ook de predikant liet zijn invloed gelden.
Het is een en al religie in de expositieruimtes van het Veluws Streekmuseum Hagedoorns Plaatse in Epe. Inspireerde het Jaar van het Religieus Erfgoed het museum al tot de tentoonstelling ”Kerkdracht op de Veluwe (1850-1950)”, nu komt daar de expositie ”Geloof en bijgeloof rond de boerderij” bij. Aanleiding hiervoor is het cultuurhistorisch festival ”Geloven in Gelderland”. Beide exposities zijn te bezichtigen tot en met december.

Op een banier in een vitrine die de hele wand beslaat staat een familie uit Wapenveld. De mannen met hoge pet, de vrouwen met een kanten knipmuts. Ook de baby is in klederdracht gehuld. Door het gebruik van veel plooien konden kinderen tot hun derde jaar hetzelfde kostuumpje dragen. Wat oudere meisjes kijken bangelijk de lens in. Op hun hoofden staat een zogenoemd bloementuintje: een strooien hoedje versierd met bloemen, strikken en veren. De madeliefjes in de hand van een van de zusjes zijn veel mooier. Maar ja, smaak is cultuur- en tijdgebonden.

Conservator en vrijwilliger Elke Tetterode Ravestein weet letterlijk van de hoed en de rand en kan uren praten over kiphoeden, knip- of driestrokenmutsen. Eens had ze een kapothoed op haar hoofd, vroeger het hoofddeksel van rijke IJsselboerinnen. „De auto kun je niet in met zo’n hoed. Ik zou liggend vervoerd moeten worden.”

Een rouwtuintje -een hoed voor in de rouwperiode- is zwart en heeft bijvoorbeeld zwarte struisvogelveren. Want zoals er speciale klederdracht was voor de zon- en feestdagen, zo droegen mensen een rouwdracht na een verlies. Soms wel vier jaar lang. De frivole versiering van een jak of lijf verdween onder een laagje rouwcrêpe. „Crêpe was passend omdat het niet glimt”, zegt Tetterode. Gouden sieraden maakten na een verlies plaats voor zilveren sieraden, bloedkoralen voor gitten.

Ukkepukkies

In de vitrine is de ontwikkeling te zien die de zondagse dracht in honderd jaar doormaakte. De schort werd te alledaags en kwam de kerk niet meer in. Oorijzers, vooral bedoeld om de muts te ondersteunen, kwamen en gingen. De behoudende plattelanders werden pas enthousiast over iets nieuws als een gril in de stad al bijna was overgewaaid.

Hoe Veluwenaren erbij liepen, werd mede bepaald door de predikant, weet Tetterode. „Als het te gek werd greep hij in.” Rond 1850 droegen vrouwen nog gekleurde jakken, niet veel later gingen ze over op zwart. Details aan de kleding verrieden vaak uit welke plaats de drager afkomstig was.

Bij klederdracht -waarmee mensen zich oorspronkelijk wilden onderscheiden van een andere streek- hoorden allerlei ongeschreven regels over wat wel en wat niet hoort. ”Wie voor een dubbeltje geboren is, wordt nooit een kwartje”, is er een van. Tetterode: „Het werd afgekeurd als iemand uit een arme tak plotseling met veel goud verscheen.”

Behalve klederdracht toont het streekmuseum ook accessoires als beugeltassen, sieraden, eau-de-cologneflesjes, loddereindoosjes en een zilveren pepermuntdoosje. Toch wat chiquer dan een rolletje King.

Belijdenis

De tentoonstelling ”Geloof en bijgeloof” loopt sinds vorige maand. De twee onderdelen zijn uit elkaar getrokken. ”Geloof” (objecten van zowel de Heilige Martinusparochie in Vaassen als de hervormde gemeente in Epe) is te zien in de nieuwe expositieruimte, ”Bijgeloof” in de voormalige varkensschuur.

In de tentoonstellingsruimte staat belijdenisgetuigschrift -een ”Gedachtenis aan de ure der belijdenis”- en een collectebusje met het opschrift: „Dit busje moet vol komen met geld voor de ukkepukkies en rakkertjes van het St. Antoniushuis want die arme schapen moeten niets tekort komen; ’t is al erg genoeg dat zij niet thuis bij hun moeder kunnen zijn.” In ”Het prentenboek van de eerste heilige communie” is te lezen: „Wie kan de hemel schilderen? Niemand, de beste schilder nog niet. Want de hemel is zó schoon, zó prachtig, zó heerlijk, zo vol licht en vol geluk en schoonheid.”

Angst

In de voormalige varkensschuur staat een heksenbezem tegen de muur. Het wemelt er van de voorschriften en volkswijsheden die boze geesten moeten weren. Gebruiken rond een overlijden zijn er meestal op gericht om de ziel van de gestorvene uit de buurt te houden en de terugkeer van de ziel naar het sterfhuis te beletten. Over een spiegel in de schemerige schuur hangt een theedoek. Mensen bedekken een spiegel omdat ze bang zijn dat de geest van de overledene het spiegelbeeld van een aanwezige meeneemt waarna deze persoon snel zal sterven.

Volgens de tentoonstelling vormen de trouwjurk en het trouwpak van oorsprong een vermomming die boze geesten een rad voor ogen draait. Evenzo moet het aanrichten van een overvloedige bruiloftsmaaltijd de goden gunstig stemmen. Het is daarom een raadsel waarom het bruiloftsgezelschap de gerechten zelf opeet.

Goede en slechte voortekenen hielden de mensen tot pakweg de twintigste eeuw flink bezig. Ongeluksgetal 13 zou teruggaan op Judas, de dertiende discipel die als eerste van de avondmaalstafel opstond en als eerste stierf. ”Dertien aan tafel, morgen één dood” is een daarvan afgeleid gezegde. Eén ding maakt deze expositie in ieder geval duidelijk: waar het geloof in God afwezig is, regeert de angst.

Het Veluws Streekmuseum in Epe is geopend op woensdag- en zaterdagmiddag van 13.30-17.00 uur. Groepen kunnen op afspraak ook op andere dagen terecht. Zie ook www.hagedoornsplaatse.nl.


Dossier:
Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels
    Meer uit deze rubriek