In theorie zijn alle synodeleden potentiële kandidaten voor het voorzitterschap van de synode. De kerkorde van de Protestantse Kerk schrijft namelijk alleen voor dat óf de preses óf de vicepreses –assessor I in kerkelijke taal– het ambt van predikant moet bekleden. In de praktijk komen echter alleen de synodeleden die al voor het derde of vierde jaar in de synode zitten –de termijn voor een synodelid is vier jaar– in aanmerking voor het presidiaat. En hoewel het geen voorschrift is, zal de kerk naar alle waarschijnlijkheid ook deze keer een predikant tot voorzitter kiezen.
Ds. G. de Fijter, predikant van de hervormde gemeente in Kampen, heeft de voorzittershamer twee jaar in handen gehad. Bij zijn aantreden in 2007 gaf hij aan slechts twee jaar voorzitter te willen zijn. En dus moet de kerk, na de verkiezing van een nieuwe scriba vorig jaar, dit jaar een nieuwe voorzitter kiezen.
In de brede Protestantse Kerk is het evenwicht tussen de verschillende stromingen in de kerk juist bij de bemensing van leidinggevende functies van groot belang. Na de benoeming van dr. A. J. Plaisier tot scriba en na twee jaar voorzitterschap van ds. De Fijter is het niet ondenkbaar dat veel synodeleden voorkeur hebben voor een kandidaat-voorzitter uit de middenorthodoxie. Vooral de predikantenbeweging Op Goed Gerucht (OGG), officieel geen modaliteit maar wel een beweging die veel aanhang heeft in de middenorthodoxe vleugel van de PKN, is van mening dat de Protestantse Kerk de afgelopen vijf jaar een ruk naar rechts heeft gemaakt. Dat zou onder andere zichtbaar zijn in de benoeming van Bonders, confessionelen en evangelischen op belangrijke posten.
De huidige vicepreses van de synode, mevrouw ds. A. Haasnoot uit Geldermalsen, werd in 2007 in het moderamen van de Protestantse Kerk gekozen. Het is niet ongebruikelijk dat de vicevoorzitter, vanwege ervaring, na enkele jaren naar voren wordt geschoven om de preses op te volgen. De afgelopen jaren heeft ds. Haasnoot zich ontpopt als een predikante die veel sympathie heeft voor het Evangelisch Werkverband en zich dus rekent tot de orthodoxe vleugel van de kerk.
Als vrouwelijke predikant heeft ze zo een bijzondere positie gekregen in de leiding van de kerk. Hoewel de Gereformeerde Bond op veel punten waardering heeft voor haar ligging, zal hij haar kandidatuur voor het voorzitterschap op principiële gronden niet steunen. De Bond is namelijk tegen vrouwelijke ambtsdragers. Synodeleden die zich meer in het midden of links in de kerk situeren, staan op zich juist positief tegenover een vrouwelijke preses, maar zullen mogelijk weer moeite hebben met haar ligging.
De verkiezing kan dus nog spannend worden, maar veel zal daarover niet naar buiten komen. De discussie over de nieuwe kandidaat beperkt zich in de PKN namelijk tot het moderamen. Daarna is het laatste woord weliswaar aan de generale synode, maar die kan de kandidaatstelling alleen nog beïnvloeden door met een tegenkandidaat te komen. Misschien dat inzet van dit niet zo chique middel voorkomen zou kunnen worden door de kleine synode –ook wel het breed moderamen genoemd– meer te betrekken bij de voorbereidingen van de voorzittersverkiezing.