Is het geloof in een schepping van zes dagen van 24 uur orthodox? luidde de vraag die CV.Koers begin dit jaar opwierp. Met een beroep op Augustinus en Calvijn stelde het blad vast dat „deze moderne lezing van Genesis afwijkt van de meer symbolische en allegorische duiding die tot aan de Reformatie gangbaar was.” EO-presentator Andries Knevel liet zich zaterdag in deze krant op een vergelijkbare manier uit.
Prof. Zuiddam, verbonden aan de faculteit theologie van North West University in het Zuid-Afrikaanse Potchefstroom, wil de suggestie die van zulke uitspraken uitgaat –„Augustinus en Calvijn vonden het ook al!”– met kracht bestrijden. „De algemene christelijke kerk heeft de klassieke scheppingsleer steeds aanvaard, van Pinksteren tot aan de verlichting. Toen werd het donker.”
Augustinus was „niet vaag over de ouderdom van de aarde, de historiciteit van Adam en Eva, de wereldwijde zondvloed”, zegt de hoogleraar. „Wel was hij ingewikkeld in zijn scheppingsleer. Zo had God naar zijn mening alle materie in één ogenblik, tegelijkertijd, geschapen.”
Mede als gevolg van deze „sterk filosofisch gekleurde” theorie vatte de kerkvader het woord ”dag” in Genesis figuurlijk op, aldus prof. Zuiddam, die zich specialiseerde op het gebied van het Schriftgezag in de Vroege Kerk. „Maar zijn dag duurde geen miljoenen jaren.”
Er is nóg een reden waarom Augustinus zelfs kon spreken over „dat geheimzinnige aantal dagen.” Hij beheerste het Hebreeuws niet, en het Grieks maakte hij zich pas op latere leeftijd enigszins eigen. Hij werd dan ook ‘misleid’ door een Latijnse vertaling van Genesis 2:4. „Ook gebruikte hij een Latijnse vertaling toen hij Jezus Sirach 18:1 aanhaalde: „Hij Die leeft in eeuwigheid heeft ”omnia simul” gemaakt.” Uit ”omnia simul”, dat gelezen kan worden als ”alles tegelijkertijd”, leidde hij, ook Schrift met Schrift vergelijkend, af dat de schepping korter dan zes dagen moest hebben geduurd. Maar het Grieks zegt hier dat God alle dingen samen (”panta koinee”), oftewel de hele wereld, heeft gemaakt.”
Een van de hoofdstukken in ”De Civitate Dei” draagt het opschrift ”Over de onjuistheid van geschiedschrijving die vele duizenden jaren toeschrijft aan de ouderdom van de wereld”. Prof. Zuiddam: „De filosofen die geloofden dat de aarde al oneindig lang bestond, hadden het volgens Augustinus mis. Ook hier blijkt dat theïstisch evolutionisten die zich op hem beroepen, hem geen recht doen.”
Naarmate de bisschop van Hippo ouder werd, ging hij steeds meer nadruk leggen op een letterlijke interpretatie van de Bijbel. „Zijn belangrijkste werk in dit kader is ”De Genesi ad Litteram”. Hij wilde laten zien dat er geen conflict hoeft te bestaan tussen een letterlijke lezing van Genesis en de wetenschap. Als we iets niet kunnen verklaren, heeft Gods Woord gelijk en zullen we later wel ontdekken hoe het zit.”
Prof. Zuiddam volgt het debat in Nederland met interesse, zegt hij. „Maar ook met zorg. Het gemak waarmee opinieleiders van overtuiging wisselen, stemt tot nadenken. Ik wil hier de grote calvinistische filosoof van onze universiteit citeren, prof. H. G. Stoker (1899-1993): „In elk geval, as die evolusie-mite waar sou wees, dan kan ons maar ons Bybels toemaak, want dan is die sondeval ’n leerproses deur foute en geen sondevál nie, maar ’n trap vorentoe in die evolusieproses en dan is die kruisdood van Christus sinloos, doop en nagmaal gevolglik bygeloof en kerktoe-gaan dwaasheid.””
Uitspraken
„En dat God de wereld heeft gemaakt, kunnen wij op niemands gezag veiliger geloven dan op dat van God zelf. Waar hebben wij Hem gehoord? (…) in de Heilige Schrift, waar zijn profeet gezegd heeft: „In het begin schiep God de hemel en de aarde.” Maar was die profeet er dan bij, toen God de hemel en de aarde schiep? Neen, maar de Wijsheid van God was er wel bij, door wie alles is geschapen” (”De Civitate Dei”, XI, 4).
„De wereld is dus ongetwijfeld niet in de tijd, maar samen met de tijd geschapen” (XI, 6).
„Ze worden ook nog op een dwaalspoor gebracht door bepaalde leugenachtige geschriften die volgens hun beweren de geschiedenis van de tijden vele duizenden jaren laten duren, terwijl wij toch uit de Heilige Schrift kunnen berekenen dat er sinds de schepping van de mens nog niet helemaal zesduizend jaren zijn verlopen” (XII, 11).
„Het gezag van de Schrift in deze zaak is groter dan dat van enige slimme menselijke wetenschappelijke theorie” (”De Genesi ad Litteram”, 20.40).
Vrijdag deel 2.