Na de hoofdlezing van prof. dr. A. de Reuver over de relevantie van Calvijn voor jongeren in 2008, verdeelden de ongeveer 800 studenten zich over zestien workshops. Zeer uiteenlopende aspecten van de Geneefse reformator kwamen daarbij aan de orde.
Prof. dr. G. Harinck, hoogleraar neocalvinisme aan de VU, verkende de beeldvorming rond het begrip calvinisme. Hij beklemtoonde dat de negatieve beeldvorming niet van vandaag of gisteren dateert, maar al eeuwenoud is. De hernieuwde aandacht voor het calvinisme als positief begrip dateert uit de tweede helft van de negentiende eeuw, toen gezocht werd naar een nieuwe nationale en kerkelijk-religieuze identiteit. Het begrip calvinisme is sindsdien van toepassing op stromingen binnen het protestantisme die zich oriënteren op respectievelijk de Nadere Reformatie, Hoedemaker en Kuyper, waarbij de laatste het meest nadrukkelijk de erfenis van Calvijn opeiste. Echter, alle drie de stromingen zijn te rekenen tot het calvinisme en hebben mede het karakter van de Nederlandse samenleving gestempeld tot op de huidige dag.
Wie Calvijn zegt, denkt ook aan de problematiek rond arbeid, handel en kapitalisme. Volgens P. Schalk van de raad van bestuur van de RMUdit de juiste aanduiding zag Calvijn het aardse beroep als een roeping van Godswege. Als je niet precies weet welk beroep je moet kiezen, moet de christen onderzoeken wat de wil van God is. „Dat geldt zowel de keuze als de uitoefening van het beroep. Calvijn legt er de nadruk op dat ons werk verbonden is met de opdracht die God geeft. Dat heeft consequenties voor het arbeidsethos van christenen.”
Prof. dr. J. J. Polder, hoogleraar economie aan de Universiteit van Tilburg, stelde dat niet Calvijn of het calvinisme het kapitalisme hebben bevorderd, maar de calvinisten. „Zij deden dat door selectief standpunten van Calvijn over te nemen, en andere te laten voor wat ze zijn.” Daarbij speelt mogelijk de uitverkiezing toch weer een rol, in die zin dat deze niet meer functioneert als troost, maar door een eenzijdige belichting het zicht op de eeuwigheid wegneemt. „Daardoor ontstaat er, geheel in strijd met Calvijn, een oppervlakkige levensstijl, gericht op het hier en nu.”
In de strijd van Calvijn tegen de dopersen was vooral de incarnatie in het geding, zo betoogde ds. W. Smouter, Nederlands gereformeerd predikant in Apeldoorn. „Dit verschil, dat destijds heel zwaar lag, uit te diepen kan bijdragen aan het gesprek tussen gereformeerden en evangelischen in onze tijd. Destijds redeneerde Menno Simons dat Christus uit de hoge hemel via Maria als een pijp ter wereld gekomen was. Hij had geen vlees aangenomen uit Maria, maar via haar.”
Wat hier in geding is, is de visie op de schepping. „Is de schepping zo verdorven dat God alleen heil kan bewerken door wat anders te gaan doen? Is de christelijke hoop dat we hier straks weg mogen naar de hemel, of dat Christus straks terug komt naar de aarde? Op veel gebieden kunnen gereformeerden een hoop leren van de evangelischen. Op dit vlak, de waardering van de schepping, kunnen wij allen veel leren van Calvijn.”
Dr. B. J.Spruyt, verbonden aan de conservatieve Edmund Burke stichting en Elseviercolumnist, ging in op de vraag in hoeverre de nazaten van Calvijn nog reformatorisch zijn te noemen. Hij vond dat de gereformeerde gezindte in een „verkorte en daardoor verarmde traditie” is terechtgekomen. „De gereformeerde leer is steeds enger gedefinieerd en scherper geformuleerd. De geleerdheid van Calvijn zijn we kwijt. Door de verschillende aftakkingen in de kerkgeschiedenis vissen we nu in een troebel slootje.” Hij riep de studenten op om de reformatoren en de kerkvaders te lezen, vooral Augustinus. „Waarom zou je, als je tot hen de toegang hebt, met iets minders genoegen nemen?”
(On)zekerheid
Ds. C. Harinck, emeritus predikant van de Gereformeerde Gemeenten, belichtte Calvijn en de zekerheid des geloofs. Zekerheid behoort volgens Calvijn tot het wezen van het geloof, gegrond op de waarachtigheid en betrouwbaarheid van God en Zijn beloften, en gewerkt door de Heilige Geest. Calvijns spreken over de zekerheid van het geloof vormt echter een „schril contrast” met de onzekerheid die over het algemeen heerst in de gereformeerde gezindte, met name onder het bevindelijke gereformeerde deel ervan. „Veel zielen worstelen met de vraag: Hoe kan ik zeker weten dat ik deel heb aan het in Christus beloofde heil? We kunnen hier zelfs spreken van een pastorale nood.”
Ds. Harinck wees als oorzaak van deze onzekerheid de geestelijke armoede en ingezonkenheid, het ontbreken van het ’doorbrekend’ werk van Gods Geest en aardsgezindheid. Verder zag hij een theologische oorzaak: de heftige strijd omtrent de toe-eigening van het heil. „Er is nergens zo veel strijd gevoerd over de toe-eigening van het heil als in de bevindelijke kerken. Dit alles heeft de onzekerheid en verwarring in de bevindelijke kring doen toenemen.”
Ten slotte wees hij als oorzaak op de opkomst van de pinksterkerken en de evangelische beweging. „De boodschap dat Jezus voor alle mensen is gestorven en God alle mensen liefheeft is daar de grond van de zekerheid. De keus voor Jezus neemt de plaats in van het geloof in Gods belofte. Dit heeft de bevindelijke kerken vuurbang gemaakt voor het zich lichtvaardig toe-eigenen van het heil. De twijfel wordt soms verheerlijkt en zelfs als een kenmerk van het ware gezien. We zijn op dit punt van Calvijn afgeweken en missen het frisse van de Reformatie.”
Dr. W. Th. Moehn, hervormd predikant in Oldebroek, kreeg de vraag voorgelegd of de ”Institutie” niet beter vervangen kan worden door een standaardwerk dat meer in rapportxx?? met de eigen tijd is. En waarom een nieuwe vertaling, zoals die nu in de maak is onder supervisie van dr. C. A. de Niet? Het loont volgens dr. Moehn zeker de moeite om dit werk opnieuw te introduceren en te vertalen voor de mens van deze tijd. „Met de ”Institutie” hebben we een van de belangrijkste -zo niet de belangrijkste- bron van onze gereformeerde traditie in handen”, aldus Moehn. „Meer dan ooit moeten we naar Calvijn luisteren om op een verantwoorde manier in het heden te verwoorden wat gereformeerde theologie is.”
Drs. Enny de Bruijn, neerlandicus en cultuurredacteur bij het Reformatorisch Dagblad, belichtte het thema Calvijn, uitverkiezing en moderne literatuur. Ze behandelde fragmenten uit eigentijdse romans, om die vervolgens naast Calvijns ideeën over uitverkiezing en voorzienigheid te leggen. Christelijke romanschrijvers zouden volgens haar meer in Calvijns werk moeten lezen: dan hoeven ze niet langer bang te zijn voor de paradox van voorbeschikking en vrije wil. Dat thema is populair in veel hedendaagse romans, van Harry Mulisch tot Harry Potter, maar christelijke schrijvers lijken er zich nauwelijks mee bezig te houden.
Ook de liturgische kanten van Calvijns werk kwamen aan de orde. Chiel Jan van Hofwegen, voorzitter van de VOGG, behandelde de vraag waarom calvinisten exclusief voor het orgel hebben gekozen, en niet bijvoorbeeld voor de trompet, dat meer Bijbelse papieren heeft. Driestardocent Ton van Driel ging in op de psalmberijmingen in de tijd van Calvijn, zijn collega’s Kees Kramp en Geraldine van Gelder analyseerden respectievelijk een psalmmotet en een orgelbewerking van Sweelinck.