Volmondig wil de hoogleraar de waarde van wetenschappelijke kennis erkennen: „Natuurwetenschappelijke kennis is wereldwijd geldig en blijft gelden. Deze eigenschappen deelt wetenschap met het christelijk geloof. Vanwege die overeenkomst neemt wetenschappelijke kennis al snel een te grote plaats in. Dat gebeurt als je niet bedenkt dat de natuurwetenschap vooronderstellingen heeft en bovendien altijd gereduceerde kennis verschaft. Dat wil zeggen: kennis die slechts op een deel van de werkelijkheid betrekking heeft.”
„De natuurwetenschap”, betoogde prof. Schuurman, „streeft naar totale en absolute controle, maar het individuele, het unieke en het wonder ontglippen haar. Daarom kan de wetenschap ook niets zeggen over het grote wonder van Gods scheppingsdaden. De natuurwetenschap wordt gekenmerkt door het beheersingsdenken en maakt zich daardoor soms schuldig aan speculatie. De biologie zit vol hiaten: Hoe ontstaat het leven? Hoe is de mens uit het dier voortgekomen? Experimenten kunnen dat niet nadoen en bewijzen ontbreken.”
De meeste natuurwetenschappers gaan uit van twee wijsgerige visies: het positivisme, dat alleen uitspraken aanvaardt die te verifiëren zijn, en het pragmatisme, dat zich kenmerkt door technisch beheersingsdenken. Prof. Schuurman laakte de pogingen om deze filosofische uitgangspunten te „christianiseren”, omdat ze beide materialistisch van aard zijn. „Het materialisme, en het evolutionisme is daar een vorm van, is niet te verbinden met het christelijk geloof. Materialisme doet het principieel zonder God, als je Hem daar in het theïstisch evolutionisme aan toevoegt is dat een brutaliteit. Je maakt Hem dan tot object van jouw denken.”
Daartegenover bepleit prof. Schuurman een „ontvangend en dankend denken”. „Wat wij in ons denken vinden, wordt ons door Iemand aangereikt. Deze houding leidt tot ontzag en eerbied voor God als almachtige Schepper.”
Schuurman ziet het beheersingsdenken op de achtergrond staan van veel oplossingen die worden aangedragen voor het probleem van schepping of evolutie. „Al in 1977 schreef ik tegen het wetenschappelijk creationisme –dat bijbelse en niet-bijbelse gegevens in een scheppingsmodel wil gieten– omdat het voortvloeit uit het positivistische beheersingsdenken. Als bijvoorbeeld de dagen van Genesis „gewone dagen van 24 uur” worden genoemd, is dat een beetje blasfemisch. Hoe kun je een scheppingsdag nu gewoon noemen? Ook in Intelligent Design, waarin God de grote ingenieur is en wij wel zullen zeggen hoe hij te werk is gegaan, gaat het om een constructie van ons mensen, al zijn het dan christelijke mensen.”
Uiteindelijk sluit Schuurman zelf zich aan bij Prediker 7:24, dat de ondoorgrondelijkheid en onpeilbaarheid van het bestaande benadrukt. „Ik pleit voor wetenschapsbeoefening met inachtneming van haar grenzen. Wij hebben in de werkelijkheid te maken met een goddelijk geheim, dat wij uiteindelijk niet in de greep kunnen krijgen. Een houding dus van wijze onwetendheid.”
Schuurman weet dat iemand als prof. dr. Cees Dekker zijn visie beschouwt als een wetenschappelijk zwaktebod. Omgekeerd is hij van mening dat Dekker een veel te hoogdravende visie op de natuurwetenschap heeft en de grenzen daarvan onvoldoende in het oog houdt.
Nodig is een eigen authentiek christelijke wijsgerige benadering van de werkelijkheid, die de emeritus hoogleraar vindt in het vak dat hij decennialang doceerde, de reformatorische wijsbegeerte. „In die wijsbegeerte wordt uitgegaan van de bijbelse grondmotieven van schepping, zondeval, verlossing en vervulling van alle dingen in het Koninkrijk van God. Dat staat haaks op het materialisme van positivisme en pragmatisme. Die wijsbegeerte erkent de onherleidbaarheid tussen planten, dieren en mensen. Zo’n wijsgerige visie doet niet tekort aan de wetenschap, maar zal haar nooit het laatste woord geven.”