Er zijn landen geweest waar Calvijn een grote invloed gehad heeft. Dat was allereerst Frankrijk, maar de hitte van de vervolgingen en de godsdienstoorlogen hebben daar de hervorming in bloed gesmoord. Verder zijn onder meer te noemen Hongarije, Schotland, grote delen van Duitsland en de Nederlanden.
Tegenwoordig wil men ook graag in historisch onderzoek kwantificeren en dus deze invloed met getallen meten. Maar dat is niet zo exact toepasbaar dat men daarop kan bouwen en vertrouwen. Van rooms-katholieke zijde is wel gesteld dat in de zeventiende eeuw ten minste 50 procent van de bevolking rooms was. Er zijn ook historici die zeggen dat hoogstens 10 procent van de Nederlanders calvinist is geweest. Daarover kan men blijven twisten, al naar gelang de wijze waarop deze sociaal-demografische methodieken worden toegepast. Onbetwistbaar blijft het feit dat de geestesbloei in Nederland tot diep in de zeventiende eeuw te danken is aan de invloed van Calvijn.
Geestelijke impuls
Calvijn was als een humanistisch geschoolde cultuurdrager een van de grootste figuren van zijn tijd. Geboren te Noyon in Picardië, en van moeders zijde afkomstig uit de Zuidelijke Nederlanden, kon hij zichzelf ook een Nederlander noemen. Toen hij zich grondig verdiepte in de klassieke bronnen maar vooral in de Bijbel zelf, en daardoor de oorzaken van de vele misstanden in zijn tijd ontdekte, ging hij zich krachtig inzetten voor de hervorming van de gehele kerk.
De verschrikkelijke vervolgingen in Frankrijk maakten hem levenslang tot een refugé, een geloofsvluchteling die zijn vaderland nooit meer heeft teruggezien. Door zijn vele werkzaamheden groeide Genève uit tot een oecumenische metropool, ongekend in zijn tijd, van waaruit een geweldige geestelijke impuls uitging naar heel Europa, inclusief ons land.
Calvijn wist als humanist dat door de renaissance de vrijheidsdrang leidt tot individualisme, terwijl hij als reformator een diep besef had van de katholiciteit van de kerk, waardoor hij een veel betere structuur kon bieden voor de oplossing van de grote problemen van enkeling en gemeenschap. Dat betekende politiek gezien een gematigde theocratie: scheiding tussen het wereldlijk zwaard en het geestelijk zwaard (dat is het Woord van God naar het woord van Paulus) en die twee zeker niet in één hand; dus geen regenten in de kerk en geen kerkvorsten in de staat. Geen ambt heerst over het andere ambt: langs democratische weg worden de kerkenraden en synoden gekozen.
In de renaissance werd de individualiteit dominant. Calvijn gaf een sociaal tegenwicht om dit individualisme te temperen. Velen kwamen naar Genève om daar korter of langer te studeren. Zij brachten hun nieuw verworven kennis mee terug naar huis en dat heeft een stempel gezet op de vrijheidsstrijd van de Spaanse tirannie. Allereerst in de zuidelijke Nederlanden, maar allengs meer en blijvend in het noorden.
Hier moet Marnix van St. Aldegonde genoemd worden, de rechterhand van Willem van Oranje. Hij en vele anderen hadden hun lijf en goed over voor de vrijheid van godsdienst en geweten. Ook Jan van Nassau -een stoere calvinist- dienen we niet te vergeten. Hij heeft stabiliserend gewerkt, wat belangrijk was in de ontreddering na de moord op zijn broer. Koning-stadhouder Willem III heeft met wijs beleid en de ”glorious revolution” in Engeland het protestantisme in Europa menselijkerwijze voor de ondergang bewaard. Hoeveel Nederland aan hen allen te danken heeft, is niet met woorden uit te drukken.
Rechte kennis
Een klein land, in zeven provincies verenigd, had zich een vooraanstaande plaats verworven in Europa, ondanks de overmacht van Habsburg en de felle aanvallen van de contrareformatie. In deze harde strijd voor de vrijheid werden de Hollanders gestaald met een tomeloze energie die zich op vele terreinen heeft laten gelden. Met het wegvallen van de centrale bevoogding van het pausdom kwam er vrijheid en ruimte voor een veelkleurige verscheidenheid, waarbinnen het vanzelfsprekend niet altijd pais en vree was.
Dat er tijdens het bestand van de Tachtigjarige Oorlog interne twisten uitbraken, is vaak onbillijk en oppervlakkig beoordeeld. Het ging niet om splinterkwesties maar om de rechte kennis van God en van de mens, en daarbij om het rechte verstaan van de Heilige Schrift. Velen kenden de grondtalen Hebreeuws en Grieks niet.
Ook hier liet Calvijns invloed zich gelden. De filologie van de humanisten werd dienstbaar aan de theologie. Dit leidde tot de studie van de oriëntalistiek (die bijvoorbeeld ook het Akkadisch en het Arabisch omvatte). Dit maakte de Nederlandse universiteiten zoals Franeker en Leiden bekend en beroemd tot ver buiten onze grenzen.
Het onderzoek van de Bijbel betekende een belangrijke bijdrage om de ontwikkeling van het volk op een hoger peil te brengen. De vertaling van de Bijbel direct vanuit de grondteksten was in die tijd een meesterstuk en had een enorme vormende waarde voor de volkstaal en voor het nationale leven.
Opbloei
De zogenaamde calvinistische suprematie ging samen met de opbloei van wetenschap en kunst, en dat in een uitermate rijke differentiatie en evenzeer een snelle economische ontwikkeling. G. Udemans schreef ”’t Geestelijk roer van ’t Coopmans schip” (Dordrecht 1640), waaruit blijkt dat in de Nadere Reformatie de rechte leer van Calvijns reformatie handen en voeten kreeg in het rechte handelen, en dat in de meest brede zin.
Kortom, wij spreken terecht over de zeventiende eeuw van een ”gouden eeuw”, waarin ons land begunstigd door de overheid in brede en diepe zin de invloed van Calvijn heeft ondergaan en zich de rijkdom van zijn denken eigen gemaakt. Is daarmee Nederland een ”calvinistisch” land geworden? Nee, volstrekt niet en zeker niet in de zin van het tegenwoordige spraakgebruik. Heeft ons land profijt gehad van de stroom van geestkracht die vanuit Genève de Lage Landen toevloeide? Daarop is ons antwoord volstrekt: ja.