Door middel van het boekje ”Van aanschijn tot zaaizaad” probeert Skandalon de Naardense Bijbel nog meer bekendheid te geven. In het promotieboekje gaat Theo van Willigenburg in vierentwintig lemma’s van a tot z in op vragen van lezers. Vertaler ds. Oussoren geeft de antwoorden en licht toe waarom hij voor een bepaalde vertaling, een bepaalde stijlvorm of een bepaald woord heeft gekozen.
Vroomvogel
Waarom wordt er in de Naardense Bijbel bijvoorbeeld nauwelijks nog gesproken over goddelozen? En waar zijn de Joden en de heidenen gebleven? En hoe ziet een vroomvogel er eigenlijk uit? En waarom heeft de vertaler-predikant zo veel mogelijk gekozen voor de tegenwoordige tijd?
Het zijn vragen die steeds weer terugkomen, weet Ronhaar. „Daarom leek het ons goed ds. Oussoren te laten uitleggen waarom er in deze vertaling voor bepaalde uitdrukkingen en vertaalprincipes gekozen is.”
In het boekje van uitgeverij Skandalon krijgt niet alleen ds. Oussoren de ruimte om zijn vertaling toe te lichten, maar schrijft ook een criticus een hoofdstuk. Prof. dr. J. Dubbink, bijzonder hoogleraar Bijbelse theologie aan de Vrije Universiteit van Amsterdam, gaat in een „essay” in op allerlei bijzonderheden in de Naardense Bijbel. En natuurlijk heeft deze „bewonderaar” van de Naardense Bijbel tussen de kleine kritiekpuntjes door vooral ook veel lof voor de Naardense Bijbel.
Altijd schade
Zo valt prof. Dubbink ds. Oussoren volmondig bij als hij schrijft dat bij het vertalen van de Bijbel de schade zo veel mogelijk beperkt dient te worden. Want hoe zorgvuldig je ook te werk gaat: vertalen richt altijd schade aan. Daarom eindigt de Amsterdamse hoogleraar zijn essay met de wens dat „geen andere tekst dan de grondtekst van Oude en Nieuwe Testament ooit ’gecanoniseerd’ zal worden.”
Ds. Oussoren op zijn beurt zal prof. Dubbink hierin overigens ongetwijfeld weer bijvallen. Hij heeft immers altijd aangegeven dat zijn vertaling bedoeld is om mensen die de grondtalen niet kunnen lezen toch, zij het vanaf de zijlijn, te laten meelezen in het Hebreeuws en in het Grieks. De Naardense Bijbel is volgens de Utrechtse predikant bedoeld om mensen „onder water” te laten meekijken naar wat er werkelijk gebeurt in het Hebreeuws of het Grieks.
En dat meekijken levert, aldus prof. Dubbink, soms mooie vergezichten op. Maar tegelijk leidt het letterlijk vertalen volgens hem soms ook tot het inbrengen van informatie „die de oorspronkelijke tekst juist niet bevatte, of althans niet op de nadrukkelijke manier die het in de vertaling krijgt.” Zo heeft volgens de hoogleraar het Hebreeuwse telsysteem „op zich geen andere betekenis dan het onze. ”Honderd jaren en vijf jaren” in plaats van ”honderdenvijf jaar” wekt de indruk dat er met die formulering iets heel bijzonders aan de hand is, terwijl dat niet het geval is.” Getallenmystiek, noemt prof. Dubbink dat.
In drie gevallen in het Oude Testament, onder andere in Genesis 23:1, moet er volgens prof. Dubbink echter wel voor deze vorm van vertalen gekozen worden omdat daar in de grondtekst drie keer ”jaar” voorkomt.