Farida van Bommel-Patisahusiwa, een moslima uit Nederland die regelmatig de Molukken bezoekt, stelde die vraag onlangs ook aan een familielid daar. „Het gaat hier heel goed”, zei ze, „de mensen hebben vooral spijt over het feit dat ze die gruwelijke dingen hebben laten gebeuren, dat ze de ander als vijand zijn gaan zien, en elkaar hebben afgemaakt.”
Ook pater Cees Böhm, die vanuit Ambon-stad de burgeroorlog versloeg richting buitenwereld via zijn e-mailberichtendienst, is positief gestemd over de rust en vrede die zijn teruggekeerd. „De Molukkers zijn het geweld moe en laten zich niet meer provoceren.”
Van Bommel was dit voorjaar op de Molukken en herinnert zich „de buitengewoon vriendelijke en gastvrije opstelling” van de inwoners van Harya, een christelijk dorp dat tijdens de burgeroorlog juist fel anti-islam was. „Wanneer je er komt, zijn de mensen er juist ontzettend bang om je te kwetsen.”
En toch is alles nog lang niet ”back to normal”, stelt Van Bommel. „Het onderlinge vertrouwen is er nog steeds niet. Overdag merk je daar niet zo veel van. Moslims en christenen lopen en werken dan door elkaar heen, iedereen kan overal komen. Maar zodra de avond valt, verandert dat. Dan weet iedereen niet hoe snel hij of zij weer in zijn of haar eigen woongebied komt, want moslims en christenen wonen grotendeels strikt gescheiden.”
Van Bommel herinnert zich een voorval met een christelijke vriendin die spontaan besloot om bij de familie van Van Bommel in een moslimgebied te blijven slapen. De volgende dag bleek haar familie een grootscheepse zoekactie te zijn begonnen, omdat ze die avond niet was teruggekeerd uit de moslimwijk. „Terwijl dat nu juist zo belangrijk is voor verzoening, dat je weer bij elkaar thuis kunt komen, je daar weer voor elkaar openstelt.” Van Bommel citeert in dit verband een Moluks gezegde: ”ale rasa, beta rasa”, ”wat jij voelt, dat voel ik ook”. „Jouw pijn is dezelfde als mijn pijn.”
Uitwisselingsprogramma
Vanwege hun voortrekkersrol en voorbeeldfunctie hebben de geestelijk leiders van de Molukse protestantse kerk (de Gereja Protestan Maluku, GPM) enkele keren aan een uitwisselingsprogramma deelgenomen, waarbij zij overnachtten bij moslimfamilies, en islamitische voorgangers in de christelijke wijken verbleven. Volgens enkele ingewijden was het geen groot succes, omdat aan beide zijden nog te veel wantrouwen bestond.
Dat ook predikanten de verschrikkingen van de kerusuhan niet zomaar uit hun hoofd en hart hebben gewist, moge duidelijk zijn. Ze werden tijdens de bloedige gevechten immers ook vaak in een voortrekkersrol gedwongen. Ds. J. Djawa schreef begin dit jaar op wat hij meemaakte tijdens de gewelddadigheden op het eiland Halmahera (Noord-Molukken).
„Dominees werd gevraagd in hun toga voor te gaan in gebedsdiensten voordat moslimdorpen werden aangevallen. Natuurlijk moest er gebeden worden voor de overwinning van de christenen en voor de ondergang van de moslims. Ik wilde vluchten, maar waar moest ik heen? (…) Die worsteling ging door toen de mannen terugkeerden van hun moordtochten en God voor de overwinning dankten met gezang en lofliederen. Wij christenen zingen en danken hier. Elders klagen en rouwen christenen en omgekeerd ook moslims. Zit het zo met God? Als dat zo zit, dan is dit de God die houdt van een gruwelijk spel.”
Ook Van Bommel wordt herinnerd aan de gruwelijke dingen die zijn gebeurd, iedere keer dat ze op weg gaat naar haar geboortedorp, het islamitische Sirisori op het eiland Saparua. Ze moet dan met de speedboot de zee over, en tijdens zo’n zelfde tocht werd tijdens de burgeroorlog de boot door militante christenen bestookt, waarbij dertien van haar familieleden omkwamen. „Iedere keer als ik op die boot zit, krijg ik weer de koude rillingen over wat daar gebeurd is.” Overigens voerden moslims soortgelijke moordacties uit op speedboten met christelijke passagiers.
De vraag naar gerechtigheid, in de zin van berechting van de moordenaars, lijkt op de Molukken te zijn verstomd. „Niemand praat daarover, men lijkt daar overheen te zijn gestapt”, zegt Van Bommel. Datzelfde merkte dr. Birgit Bräuchler, als onderzoeker verbonden aan de nationale universiteit van Singapore, en momenteel gastonderzoeker bij het KITLV (Koninklijk Instituut voor Zuidoost-Aziatische en Caraïbische Studies) in Leiden. Zij deed onderzoek naar verzoeningsprocessen op de Molukken, en keek in het bijzonder naar de rol van de adat -oude tradities- daarbij.
De traditie wordt op heel de Molukken van stal gehaald om verzoening van christenen en moslims op gang te brengen, en daar ook duurzaamheid aan te geven, stelt Bräuchler. De ”raja’s”, traditionele dorpshoofden, worden naar voren gehaald, en ook de ”pela” wordt weer afgestofd. Die naam staat voor de vaak eeuwenoude bondgenootschappen tussen twee of meer dorpen, ongeacht de godsdienst van de bewoners, waarbij er over en weer plichten zijn om elkaar te helpen in tijden van oorlog of nood.
Bräuchler onderzocht op het eiland Haruku hoe het christelijke dorp Kariu weer werd opgenomen in de moslimgemeenschap rondom. Kariu lag ten tijde van de burgeroorlog tussen tal van islamitische dorpen - het wordt om die reden wel vergeleken met de staat Israël te midden van Palestijns gebied. Die moslimdorpen hebben ook nog eens een bondgenootschap met elkaar, het zogenaamde hatuhahaverbond, waarvan ook een enkel christelijk dorp deel uitmaakt. Maar Kariu niet, en dat maakte in 1999 doorslaggevend verschil. Onder leiding van het moslimdorp Pelauw sloegen de moslims het dorp volledig in puin, en joegen de bewoners de jungle in.
Helemaal alleen stond Kariu niet, want het had op zijn beurt een zogenaamd gandongbondgenootschap met vier andere dorpen verderop. Terwijl pela is gebaseerd op een verbond dat tijdens een crisis of oorlog is ontstaan, gaat een gandongrelatie terug op (vermeende) gezamenlijke afstamming.
Mede om die reden deden niet alle moslims mee aan de verwoesting van Kariu. Het moslimdorp Hualoi bijvoordbeeld hield zich afzijdig, omdat het in die gandongrelatie met Kariu zat. En Hulaliu, het enige christelijke dorp in het hatuhahabondgenootschap, bleef ook afzijdig.
Adatmensen
Vlak na het einde van de oorlog, in 2003, stelden de Molukse autoriteiten de vluchtelingen voor de keus: terugkeer naar de oude locatie, of vestiging elders. De gevluchte inwoners van Kariu kozen voor het eerste, maar met name onder de moslims van Pelauw bestond daar grote weerzin tegen. Na lang soebatten en discussiëren stemden Pelauw en de andere moslimdorpen van het hatuhahabondgenootschap in met de wederopbouw van Kariu. In 2003 werd daartoe het Repatriëringsteam voor de Kariuvluchtelingen opgericht, dat de definitieve verzoening tussen de dorpen moest voorbereiden.
In de zomer van 2005 konden de vluchtelingen definitief terugkeren. En werd de vrede met behulp van een reeks van rituelen formeel getekend. De bevolking van Kariu keerde niet terug in de hoedanigheid van christenen, maar als adatmensen, die terugkwamen op hun adatgronden.
Bij de ceremonies speelden twee dorpen een belangrijke bemiddelingsrol: het moslimdorp Hualoi, omdat het als gandongbondgenoot van Kariu schone handen had gehouden, en het christelijke dorp Hulaliu, dat weliswaar deel uitmaakte van het islamitische hatuhahabondgenootschap, maar ook niet had meegedaan aan het geweld tegen Kariu. Dat hatuhahabondgenootschap werd ook nog eens gepresenteerd als nieuw christelijk-islamitisch verband, en in die hoedanigheid tot voorbeeld gesteld voor heel de Molukken. Al in 2002, toen de spanningen nog groot waren, organiseerde het verbond een vredesmars naar Ambon-stad om anderen tot voorbeeld te zijn.
Het succes van de adat als basis voor verzoening op de Molukken wordt door mensenrechtengroepen ook gewantrouwd. Voor de moordenaars en aanstokers van het geweld is het immers een manier om ongestraft te blijven. Verzoening zonder vergelding is precies wat ze op deze manier bereiken.
Van Bommel ziet in die verzwegen roep om gerechtigheid reden tot zorg: het maakt de vrede op de Molukken volgens haar blijvend kwetsbaar. Om die reden is ze ook buitengewoon kwaad over de in haar ogen onverantwoorde acties van voorstanders van een onafhankelijke Zuid-Molukse Republiek (RMS). „Er hoeft maar iets te gebeuren en de vlam slaat daar weer in de pan. En wat doen die RMS-sympthisanten? Ze gaan rustig door met vlaghijsingen op 25 april, met als gevolg dat iedereen weer doodsbang is voor een nieuwe geweldsuitbarsting.”